<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:3039</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-05T08:48:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-03-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.4563</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:3039">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:3039</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-05T08:47:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:3039 Rechtbank Den Haag , 30-03-2022 / NL22.4563</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:3039:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eerste beroep. Staandehouding. Medische bijzonderheden. Voortvarend handelen. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:3039:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: NL22.4563</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam], eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. I.E. Lemmers).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 13 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 18 maart 2022 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 22 maart 2022 een verweerschrift ingediend. Op 25 maart 2022 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] te Riga (Letland) en van onbekende nationaliteit te zijn. </para>
    <para />
    <para>2. Volgens eiser is hij op onrechtmatige wijze staande gehouden omdat sprake is van een verkapte vreemdelingrechtelijke staandehouding. Eiser voert aan dat de stellingen in het proces-verbaal van bevindingen dat de verbalisanten hem konden vinden in het politiesysteem en dat hij is aangehouden omdat zijn identiteit niet kon worden vastgesteld, niet met elkaar rijmen. Ook voert eiser aan dat de omstandigheid dat hij een woning aan het kraken zou zijn geweest niet voldoende is om een vermoeden van illegaal verblijf te rechtvaardigen, wat wel nodig is voor een vreemdelingrechtelijke staandehouding.</para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank volgt eiser niet in deze stellingen. Uit het op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 13 maart 2022 blijkt dat de verbalisanten afgingen op een melding van kraking. Dit is een strafrechtelijke politietaak. Verder blijkt uit dit proces-verbaal dat eiser slechts een document bij zich had waaruit bleek dat zijn identiteitsdocument was ingenomen. Hieruit kan worden opgemaakt dat de verbalisanten eisers identiteit niet meteen konden vaststellen, waarop eiser werd aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 447E van het Wetboek van Strafrecht. Er is dan ook geen sprake is van een (verkapte) vreemdelingrechtelijke staandehouding. </para>
    <para />
    <para>4. Verder voert eiser aan dat de door hem naar voren gebrachte medische bijzonderheden ten onrechte niet zijn benoemd in het bestreden besluit. Eiser wijst erop dat hij heeft verklaard dat hij zich fysiek zwak voelde en dat hij gestrest was. Ook hierin volgt de rechtbank eiser niet. Uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van gehoor van 13 maart 2022 blijkt namelijk dat eiser niet heeft willen antwoorden op de vraag of hij medicijnen gebruikt of onder behandeling van een arts staat. Verweerder heeft daarom, ter onderbouwing van het standpunt dat een lichter middel in het geval van eiser in verband met zijn gezondheidssituatie niet is aangewezen, mogen volstaan met de overwegingen dat eiser is gewezen op de mogelijkheid om een arts te spreken en dat de medische zorgverlening in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. </para>
    <para />
    <para>5. Ten slotte voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld door pas op de vierde dag na zijn inbewaringstelling een vertrekgesprek met eiser te voeren en geen vlucht aan te vragen terwijl de noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn. Volgens jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het echter voldoende voortvarend om op de zesde dag na inbewaringstelling een eerste vertrekhandeling te verrichten. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van 29 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK2270. Daarnaast blijkt uit het dossier dat verweerder op 18 maart 2022, de vijfde dag na de inbewaringstelling, een vlucht voor eiser heeft aangevraagd. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.</para>
    <para />
    <para>6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para> verklaart het beroep ongegrond;</para>
      <para> wijst het verzoek om schadevergoeding af.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>