<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:2926</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-15T09:00:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 20/6486</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:2926">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:2926</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-11T15:03:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:2926 Rechtbank Den Haag , 01-04-2022 / AWB 20/6486</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:2926:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>aanvraag voor nareis asiel is afgewezen omdat de feitelijke gezinsband is verbroken op het moment van inreis - ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:2926:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AWB 20/6486 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 april 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , hierna: eiseres, v-nummer: [V-nummer 1]</bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser 1]
        </emphasis>, v-nummer: [V-nummer 2]</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser 2]
        </emphasis>, v-nummer: [V-nummer 3]</para>
      <para>hierna tezamen: eisers</para>
      <para>(gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 16 maart 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag voor een mvv<footnote-ref linkend="_e55c470c-5e16-4052-9059-5e3fe83996ec" /> in het kader van nareis, afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 22 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2022 op zitting behandeld. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Referent is verschenen. Verweerder is, met voorafgaande mededeling, niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eisers zijn geboren op respectievelijk [geboortedag 1] 1976, [geboortedag 2] 2004 en [geboortedag 3] 2012 en hebben allen de Iraanse nationaliteit. Zij beogen verblijf bij hun gestelde echtgenoot en vader, [referent] , referent. De aanvraag is afgewezen, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat er nog een werkelijk huwelijk en een familierechtelijke relatie tussen referent en eiseres bestaat. De rechtsgeldigheid van het huwelijk is volgens verweerder niet relevant, nu de feitelijke gezinsband tussen referent en eiseres al ruim voor de inreis van referent in Nederland zou zijn verbroken. De aanvragen van beide kinderen zijn afgewezen, omdat er geen toestemmingsverklaringen zijn overgelegd. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vinden eisers in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren – kort samengevat – het volgende aan. Volgens referent is sprake van een reëel en rechtsgeldig huwelijk met eiseres. Eisers verwijzen hierbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg.<footnote-ref linkend="_97d74412-ef66-4d94-8df7-b7ea68919b99" /> Dat nog immer sprake is van een huwelijk volgt onder andere uit het feit dat referent en eiseres contact onderhouden en uit de in beroep overgelegde huwelijksakte. Dat referent een buitenechtelijke relatie heeft gehad en op een eerder moment voorbereidingen zijn getroffen voor een echtscheiding, doet hier niets aan af. Bovendien levert het niet verlenen van de mvv’s een schending op van artikel 8 van het EVRM.<footnote-ref linkend="_d575fc02-05c8-4ef9-9f50-187dfe6f09e3" /> Tot slot zijn eisers ten onrechte niet gehoord in bezwaar. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. De rechtbank stelt vast dat uit het verweerschrift volgt dat de identiteit van eisers niet meer in geschil is. Ook is de familierechtelijke relatie tussen de kinderen en referent niet meer in geschil. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder aan de afwijzing ten grondslag heeft kunnen leggen dat een werkelijk huwelijk en een feitelijke gezinsband ontbreekt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Herhaling gronden van bezwaar</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. Eisers hebben verzocht hun bezwaargronden als herhaald en ingelast te beschouwen. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van bezwaargronden kan de rechtbank niet afleiden waarom eisers van mening zijn dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding dat besluit te vernietigen.<footnote-ref linkend="_3afa5ef9-88df-435e-8b23-d2de578bbb7f" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Feitelijke gezinsband </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>6. Uit de Gezinsherenigingsrichtlijn volgt dat verweerder de aanvraag mag afwijzen als de referent geen werkelijk huwelijks- of gezinsleven (meer) onderhoudt met het gezinslid of de gezinsleden.<footnote-ref linkend="_8cd8bf7f-50d3-4b45-a68d-13d484db8e00" /> Uit het beleid van verweerder volgt dat referent ook in geval van een nareizende huwelijkspartner, aannemelijk moet maken dat deze huwelijkspartner tot zijn gezin behoorde op het moment van binnenkomst van referent en dat deze feitelijke gezinsband niet mag zijn verbroken.<footnote-ref linkend="_cb399d26-4ec6-4ac8-a214-d9ab8b745095" /></para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de feitelijke gezinsband tussen eiseres en referent is verbroken. Hoewel eiseres een huwelijksakte heeft overgelegd waaruit het gestelde rechtsgeldige huwelijk volgt, is dit niet het enige waar verweerder zijn besluit op hoeft te baseren. Ook andere omstandigheden, in samenhang met andere feiten en verklaringen over essentiële zaken rondom het gestelde gezinsleven, vormen bewijs voor het al dan niet bestaan van een feitelijke gezinsband.<footnote-ref linkend="_e1598c6b-5441-4cff-9994-7fa42a08f33c" /> In dit geval heeft verweerder mogen betrekken dat referent voor vertrek uit Iran al vier jaar niet meer samenwoonde met eiseres en hij gedurende vijf jaar een relatie heeft gehad met een andere vrouw. Deze vrouw heeft een mvv nareis voor referent aangevraagd, welke is ingewilligd. Uit de verklaringen die referent heeft afgelegd tijdens zijn asielprocedure blijkt dat referent meerdere keren heeft bevestigd een relatie te hebben met deze andere vrouw, welke is voortgezet na zijn komst hier te lande. Tijdens die procedure is een verklaring overgelegd ten bewijze van een exclusieve duurzame relatie met die andere vrouw en een begeleidend stuk dat eiser in Nederland samen met haar een gezin vormt. Ook bij de hoorzitting van 14 oktober 2019 in onderhavige procedure heeft referent aangegeven een relatie te hebben met de andere vrouw. Gelet hierop kon verweerder de feitelijke gezinsband met eiseres als verbroken beschouwen op het moment van binnenkomst van referent hier te lande. Dat nu wordt gesteld dat referent en eiseres weer een relatie met elkaar hebben doet aan vorenstaande niet af. De in beroep overgelegde huwelijksakte maakt het voorgaande niet anders, nu deze akte nog niets zegt over de feitelijke gezinsband. Een rechtsgeldig huwelijk staat niet in de weg aan een mogelijke verbreking van de feitelijke gezinsband.<footnote-ref linkend="_8700dbe8-4c35-480a-9af1-5317fbe30d91" /> De verwijzing van eisers naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg<footnote-ref linkend="_241b4c21-65c9-4094-99d7-e0fc8e924644" /> leidt evenmin tot een ander oordeel. Zoals verweerder reeds heeft opgemerkt gaat het in genoemde uitspraak om de rechtsgeldigheid van een huwelijksakte en het ontbreken van een feitelijke gezinsband. In deze zaak gaat het om een verbroken feitelijke gezinsband. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvraag kunnen afwijzen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Toestemmingsverklaring</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>7. De rechtbank stelt vast dat geen beroepsgronden zijn gericht tegen de afwijzing van de aanvragen van de kinderen. Verweerder heeft aan eisers kunnen tegenwerpen dat er geen toestemmingsverklaringen van de achterblijvende ouder, eiseres, is overgelegd, zodat verweerder ook deze aanvragen kon afwijzen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Artikel 8 van het EVRM</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>8. Het beroep op artikel 8 van het EVRM slaagt niet, nu geen sprake is van een beschermenswaardig gezinsleven omdat de feitelijke gezinsband niet aannemelijk is gemaakt. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 is geen ruimte voor een verdere afweging in het kader van artikel 8 van het EVRM dan de afweging die daarin al besloten ligt. Voor de toetsing aan artikel 8 van het EVRM mag verweerder verwijzen naar een afzonderlijke (reguliere) procedure. Dit volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling.<footnote-ref linkend="_9e039e87-aaf4-4fea-8c86-dcd7111607a9" /> Verder oordeelt de rechtbank dat het bestreden besluit er geen blijk van geeft dat verweerder onvoldoende rekenschap heeft gegeven van belangen eisers. Het artikel 3 uit het IVRK<footnote-ref linkend="_afcb85a3-b78e-422a-9e0d-d66187a5d1b5" /> waar eisers naar verwijzen roept geen aanspraak in het leven die verder strekt dan artikel 8 van het EVRM. Zoals hiervoor is overwogen, dient die beoordeling plaats te vinden in een reguliere verblijfsprocedure. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Hoorplicht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>9. Ten aanzien van de gestelde schending van de hoorplicht overweegt de rechtbank dat van het horen in bezwaar slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef, en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht mag worden afgezien, indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het primaire besluit en de gronden in het bezwaarschrift is in dit geval aan deze maatstaf voldaan, zodat verweerder van het horen heeft mogen afzien.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is de conclusie? </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>10. Het beroep is ongegrond.</para>
      <para />
      <para>11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. C.M. van den Berg, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
  </section>
  <footnote id="_e55c470c-5e16-4052-9059-5e3fe83996ec" label="1">
    <para> Machtiging tot voorlopig verblijf. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_97d74412-ef66-4d94-8df7-b7ea68919b99" label="2">
    <para> Uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 19 oktober 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:13284. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_d575fc02-05c8-4ef9-9f50-187dfe6f09e3" label="3">
    <para> Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3afa5ef9-88df-435e-8b23-d2de578bbb7f" label="4">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1604.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8cd8bf7f-50d3-4b45-a68d-13d484db8e00" label="5">
    <para>Zie artikel 16, eerste lid onder b, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cb399d26-4ec6-4ac8-a214-d9ab8b745095" label="6">
    <para> Zie paragraaf C2/4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e1598c6b-5441-4cff-9994-7fa42a08f33c" label="7">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:206.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8700dbe8-4c35-480a-9af1-5317fbe30d91" label="8">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:206. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_241b4c21-65c9-4094-99d7-e0fc8e924644" label="9">
    <para> Uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaat Middelburg, van 19 oktober 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:13284. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_9e039e87-aaf4-4fea-8c86-dcd7111607a9" label="10">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010: BO1555.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_afcb85a3-b78e-422a-9e0d-d66187a5d1b5" label="11">
    <para> Verdrag inzake de rechten van het kind. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>