<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:2340</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-31T12:00:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-03-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 21 _ 564</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:2340">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:2340</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-30T09:27:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:2340 Rechtbank Den Haag , 17-03-2022 / AWB - 21 _ 564</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:2340:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Paspoort aanvraag niet in behandeling genomen door vaststellen verlies Nederlanderschap, tienjaartermijn, Tjebbes</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:2340:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR 21/564</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , uit [woonplaats] (Israël), eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J. Houdijk),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M.S. Krikhaar).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 13 augustus 2018 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag voor een</para>
      <para>Nederlands paspoort van eiseres niet in behandeling genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 7 december 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van</para>
      <para>eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2022 </para>
      <para>Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, welke is verschenen via een beeldverbinding. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen via een telefoonverbinding door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Eiseres verkreeg bij haar geboorte in 1987 de Nederlandse en Israëlische nationaliteit. Op</para>
        <para>1 juli 1994 werd eiseres uitgeschreven uit de gemeente [gemeenteplaats] omdat zij vertrok naar</para>
        <para>Israël. Een paspoort is voor het laatst aan eiseres verstrekt op 17 juli 2008. Vanaf dat</para>
        <para>moment is de tienjaarstermijn voor haar aangevangen. Na 17 juli 2008 zijn geen</para>
        <para>Nederlandse reisdocumenten of verklaringen omtrent het Nederlanderschap verstrekt,</para>
        <para>waardoor zij het Nederlanderschap op 17 juli 2018 heeft verloren. Verweerder heeft daarom</para>
        <para>de aanvraag van 9 augustus 2018 van eiseres voor een Nederlands paspoort niet in</para>
        <para>behandeling genomen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Verweerder heeft de behandeling van het bezwaar aangehouden in afwachting van</para>
        <para>een uitspraak van de hoogste bestuursrechter en vragen aan het Hof van Justitie van de</para>
        <para>Europese Unie. Aan de hand van het arrest Tjebbes<footnote-ref linkend="_42578253-1776-4cf3-8fbb-f2de1127857e" />, heeft de hoogste bestuursrechter op</para>
        <para>12 februari 2020 uitspraak gedaan<footnote-ref linkend="_de2c1f6f-0467-4a05-a387-649cdd41dc37" />. Volgens deze uitspraak moet een evenredigheidstoets</para>
        <para>plaatsvinden in omstandigheden zoals die van eiseres.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Nadat eiseres de mogelijkheid heeft gehad de gevolgen van de intrekking van haar</para>
        <para>Nederlanderschap kenbaar te maken, heeft verweerder een evenredigheidstoets uitgevoerd.</para>
        <para>Volgens verweerder is de intrekking niet onevenredig. Vervolgens is het bestreden</para>
        <para>besluit genomen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat zijn de regels?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>2. De regels staan in de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Volgens artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet gaat het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren indien zij tevens een vreemde nationaliteit bezit en tijdens haar meerderjarigheid gedurende een ononderbroken periode van tien jaar in het bezit van beide nationaliteiten haar hoofdverblijf heeft buiten Nederland.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>In het vierde lid van dat artikel is bepaald dat de periode, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt gestuit door de verstrekking van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap dan wel van een reisdocument, Nederlandse identiteitskaart of vervangende Nederlandse identiteitskaart in de zin van de Paspoortwet. Vanaf de dag der verstrekking begint een nieuwe periode van tien jaren te lopen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat vindt eiseres in beroep?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. Eiseres stelt voorop dat niemand in een land als Israël zijn Nederlandse nationaliteit wil verliezen. Ze was niet op de hoogte van de tienjaarstermijn en als ze dit geweten had, had ze haar paspoort tijdig verlengd. De omstandigheid dat meerdere Nederlandse families in Israël hun Nederlanderschap verliezen, bewijst dat de informatievoorziening door de ambassade en de websites van verweerder niet toereikend is. De verantwoordelijkheid van het verlies mag daarom niet volledig aan eiseres worden verweten. Het verlies was niet voorzienbaar en proportioneel. Volgens eiseres ontbreekt een belangenafweging. Dat eiseres in Israël woont, betekent niet dat een band met Nederland ontbreekt of dat er geen maatschappelijk belang</para>
      <para>ontbreekt. Verweerder is daarbij onterecht voorbijgegaan aan de overgelegde stukken. Niet relevant is de mogelijkheid om visumvrij naar Nederland te kunnen reizen met een Israëlisch paspoort. De rechten van een Unieburger zijn immers niet te vergelijken met die van een toerist.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. 1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft gemotiveerd dat, vanuit het oogpunt van eigen verantwoordelijkheid, van Nederlanders die in het buitenland wonen mag worden verlangd dat zij zich adequaat laten voorlichten over de geldende regels met</para>
      <parablock>
        <para>betrekking tot het behoud van het Nederlanderschap. Op de websites van het ministerie van</para>
        <para>Buitenlandse Zaken, de Rijksoverheid en de IND is informatie te vinden over het verlies</para>
        <para>van het Nederlanderschap. Van eiseres mag worden verlangd dat zij zichzelf laat</para>
        <para>voorlichten over haar Nederlanderschap. Verweerder is niet verplicht eiseres individueel te</para>
        <para>informeren. De stelling dat meerdere personen in Israël hun Nederlanderschap verliezen maakt niet aannemelijk dat de voorlichting ondeugdelijk is, noch doet dit afbreuk aan de eigen verantwoordelijkheid van eiseres.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder een deugdelijke Unierechtelijke</para>
        <para>evenredigheidsbeoordeling heeft gemaakt. Voor de beoordeling van de evenredigheid moet</para>
        <para>worden gekeken naar het moment van het verlies van het Nederlanderschap, en daarmee het</para>
        <para>Unieburgerschap, namelijk 17 juli 2018 (de ex tunc-toetsing). De gronden en stukken van</para>
        <para>eiseres die niet gaan over dit moment of voorzienbare gevolgen op dat moment, hoeft</para>
        <para>verweerder daarom niet te betrekken in zijn beoordeling. Opgroeien in Nederland (diploma</para>
        <para>lagere school, zwemdiploma en het graf van haar vader in Nederland) houdt geen verband</para>
        <para>met het verlies van haar rechten als Unieburger. Daaruit volgt ook niet dat het voorzienbaar</para>
        <para>is dat eiseres zich weer in Nederland zal vestigen of beroepsactiviteiten gaat uitvoeren.</para>
        <para>Eiseres heeft ook geen andere omstandigheden aangevoerd die erop duiden dat zij zich op</para>
        <para>17 juli 2018 voornemens was om zich in Nederland te vestigen en gebruik te maken van</para>
        <para>haar Unierechten. Voor een verplichting tot het maken van een belangenafweging bestaat</para>
        <para>geen aanknopingspunt in het arrest Tjebbes of de wet- en regelgeving. Los daarvan heeft verweerder er ter zitting terecht op gewezen dat ingevolge artikel 15, vierde lid, van de RWN het moment van afgifte van in dit geval het paspoort een stuitingshandeling is. Dat eiseres een aantal weken voor het verlopen van haar paspoort een nieuw paspoort heeft aangevraagd kan haar dan ook niet helpen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Voor zover eiseres verwijst naar haar gronden in bezwaar, heeft verweerder in het</para>
        <para>bestreden besluit daar op gereageerd. Eiseres heeft niet aangegeven op welke wijze</para>
        <para>verweerder dit onjuist heeft gedaan. De verwijzing naar het bezwaarschrift als beroepsgrond</para>
        <para>slaagt daarom niet.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. Het beroep is ongegrond.</para>
      <para />
      <para>6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.</para>
  </section>
  <footnote id="_42578253-1776-4cf3-8fbb-f2de1127857e" label="1">
    <para> ECLI:EU:C2019:189</para>
  </footnote>
  <footnote id="_de2c1f6f-0467-4a05-a387-649cdd41dc37" label="2">
    <para> ECLI:NL:RVS:2020:423</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>