<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:225</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-02-01T13:17:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-01-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.73</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:225">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:225</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-01-19T09:45:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:225 Rechtbank Den Haag , 18-01-2022 / NL22.73</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:225:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Vervolgberoep tegen (inmiddels opgeheven) maatregel van bewaring op grond van artikel 59a van de Vw 2000. </para>
        <para>Verweerder heeft de bewaring op 22 december 2021 opgeheven omdat eisers overdracht naar Zwitserland in het kader van de Dublinverordening niet binnen de termijn van zes weken gerealiseerd kon worden.</para>
        <para>Volgens eiser was de termijn van zes weken echter al verstreken op 2 december 2021 omdat aan eiser op 20 oktober 2021 de maatregel van bewaring is opgelegd. </para>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest Amayry heeft bepaald dat de Dublinverordening niet in alle gevallen voorziet in een maximumduur van de bewaring. In de zaak van eiser is sprake van een situatie waarin de Dublinverordening niet in een maximumduur van de bewaring voorziet. De rechtbank stelt verder vast dat ook de nationale wetgeving in de situatie van eiser niet in een maximumduur van de bewaring voorziet. Om te bepalen wat dan de maximumduur zou moeten zijn, zoekt de rechtbank aansluiting bij artikel 59b van de Vw 2000, de memorie van toelichting bij artikel 59a van de Vw 2000 en bij de in artikel 28 van de Dublinverordening genoemde zes weken termijn. </para>
        <para>De rechtbank overweegt dat een maximumduur van de bewaring van zes weken als redelijkerwijs noodzakelijk kan worden beschouwd in de situatie dat een vreemdeling in bewaring wordt gesteld met een lopende asielaanvraag en er aanknopingspunten zijn dat de Dublinverordening van toepassing is, namelijk vier weken voor de behandeling van de asielaanvraag en enkele dagen voor de feitelijke overdracht. Deze termijn kan langer zijn wanneer de overdracht gefrustreerd wordt. In het geval van eiser heeft de bewaring langer dan zes weken geduurd, terwijl hier redelijkerwijs geen aanleiding voor is aan te wijzen. De rechtbank acht daarom de maatregel van bewaring vanaf 2 december 2021 onrechtmatig. Verweerder moet aan eiser schadevergoeding betalen voor de onrechtmatige vrijheidsontneming.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:225:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Arnhem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL22.73</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 januari 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] v-nummer [nummer] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. S. Benayad),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 20 oktober 2021 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 22 december 2021 de maatregel van bewaring opgeheven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 11 januari 2022 op zitting behandeld. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de</para>
    <para>vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.</para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft</para>
    <para>getoetst. Uit de uitspraak van 9 november 2021<footnote-ref linkend="_d45f52d6-0f25-4735-9022-a44c798b446f" /> volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt (2 november 2021), rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.</para>
    <para />
    <para>3. Eiser voert aan dat de bewaring te lang heeft voortgeduurd en daarom onrechtmatig</para>
    <para>is. Uit het formulier waarmee verweerder de bewaring heeft opgeheven (M113) volgt dat de bewaring is opgeheven wegens een afweging van belangen. Voor de Dienst Terugkeer &amp; Vertrek was het niet meer mogelijk om een overdracht van eiser naar Zwitserland in het kader van de Dublinverordening in te plannen voor het einde van de termijn van zes weken. De maatregel van bewaring is aan eiser opgelegd op 20 oktober 2021. Indien de door verweerder genoemde termijn van zes weken wordt gevolgd, zou deze op 1 december 2021 al zijn verstreken. De bewaring is echter pas op 22 december 2021 opgeheven. Volgens eiser heeft hiermee de maatregel van bewaring na 1 december 2021 onrechtmatig voortgeduurd en dient eiser hiervoor schadevergoeding te ontvangen.</para>
    <para />
    <para>4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bewaring niet onrechtmatig heeft</para>
    <para>voortgeduurd. Voorafgaand aan de inbewaringstelling, op 19 oktober 2021, heeft eiser een tweede opvolgende asielaanvraag ingediend. Verweerder diende te beslissen op deze asielaanvraag. Op 19 november 2021 is door verweerder beslist op deze asielaanvraag. Volgens verweerder vangt vanaf dat moment de termijn van zes weken aan omdat er vanaf dat moment geen belemmeringen voor een overdracht meer zijn. Verweerder baseert zich hierbij op het arrest van 13 september 2017 van de Hof van Justitie van de Europese Unie.<footnote-ref linkend="_b81578cb-ff4f-49e3-ad00-1c0ec53d618f" /> Omdat de overdracht van eiser niet binnen zes weken na 19 november 2021 gerealiseerd kon worden, heeft verweerder de bewaring op 22 december 2021 opgeheven. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat de termijn van zes weken,</para>
        <para>zoals volgt uit artikel 28, derde lid, vierde alinea, van de Dublinverordening, in het onderhavige geval geen finale termijn is, maar een termijn die als in ieder geval redelijk moet worden uitgelegd. De maatregel van bewaring dient niet de termijn die redelijkerwijs noodzakelijk is om de overdracht te realiseren te overschrijden. Dat in het geval van eiser de bewaring vanaf 20 oktober 2021 langer dan zes weken heeft geduurd en nog steeds niet de redelijke termijn heeft overschrijdt, komt volgens verweerder door de asielaanvraag die verweerder nog diende te behandelen en omdat eiser de overdracht meermaals heeft gefrustreerd. Voor eiser was op 9 december 2021 en 21 december 2021 een overdracht per vliegtuig naar Zwitserland ingepland. Beide vluchten zijn geannuleerd omdat eiser weigerde medewerking te verlenen aan de PCR-test.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Op grond van artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening, voor zover hier</para>
        <para>relevant, duurt de bewaring zo kort mogelijk en niet langer dan de tijd die redelijkerwijs nodig is om de vereiste administratieve procedures zorgvuldig af te ronden totdat de overdracht uit hoofde van deze verordening is uitgevoerd. Wanneer een persoon op grond van dit artikel in bewaring wordt gehouden, wordt de overdracht van de betrokkene van de verzoekende lidstaat aan de verantwoordelijke lidstaat zo spoedig uitgevoerd als praktisch mogelijk is, en uiterlijk binnen zes weken vanaf de impliciete of expliciete aanvaarding van het overname- of terugnameverzoek door een andere lidstaat, dan wel vanaf het tijdstip waarop het beroep of het bezwaar niet langer opschortende werking heeft overeenkomstig artikel 27, lid 3. Wanneer de overdracht niet binnen de genoemde termijn van zes weken geschiedt, wordt de betrokkene niet langer in bewaring gehouden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <parablock>
        <para>In het door verweerder aangehaalde arrest heeft het Hof van Justitie overwogen dat</para>
        <para>voornoemde termijn echter alleen geldt in het geval dat de betrokkene al in bewaring wordt gehouden wanneer één van de twee in artikel 28, derde lid, derde alinea bedoelde gebeurtenissen plaatsvindt. De Dublinverordening voorziet voor andere situaties niet in een maximumduur van bewaring. Omdat de Dublinverordening niet voorziet in een maximumduur van bewaring, moet een dergelijke bewaring echter, allereerst, voldoen aan het in artikel 28, lid 3, eerste alinea, van deze verordening genoemde beginsel, dat de bewaring zo kort mogelijk duurt en niet langer dan de tijd die redelijkerwijs nodig is om de vereiste administratieve procedures zorgvuldig af te ronden totdat de overdracht uit hoofde van de verordening is uitgevoerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>6. De rechtbank stelt allereerst vast dat de nationale wetgeving ook niet voorziet in een</para>
        <para>maximumduur van de bewaring als niet één van de twee in artikel 28, derde lid, derde alinea van de Dublinverordening bedoelde gebeurtenissen plaatsvindt. Om te bepalen wat de maximumduur van de bewaring die redelijkerwijs noodzakelijk is, zoekt de rechtbank aansluiting bij artikel 59b van de Vw 2000 en de memorie van toelichting bij artikel 59a van de Vw 2000 en bij de in artikel 28 van de Dublinverordening genoemde zes weken termijn.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Indien een vreemdeling in bewaring wordt gesteld met een lopende asielaanvraag en</para>
        <para>er geen aanknopingspunten zijn dat de Dublinverordening van toepassing is, dan kan dat op grond van artikel 59b van de Vw 2000. De bewaring op deze grondslag duurt in principe maximaal vier weken. De rechtbank leidt hieruit af dat de termijn die redelijkerwijs noodzakelijk is voor verweerder om een asielaanvraag van een vreemdeling in bewaring inhoudelijk te behandelen en op te beslissen vier weken is.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <parablock>
        <para>In de memorie van toelichting bij artikel 59a van de Vw 2000 wordt overwogen dat,</para>
        <para>in de situatie dat een vreemdeling pas na ontvangst van een akkoord op het terug- of</para>
        <para>overnameverzoek in bewaring wordt gesteld, deze bewaring, behoudens de algemene</para>
        <para>bepaling dat de bewaring zo kort mogelijk dient te duren, niet aan een specifieke termijn is gebonden. Het gaat hier doorgaans om hooguit enkele dagen bewaring voorafgaand aan de feitelijke overdracht, maar deze periode kan langer worden wanneer de overdracht gefrustreerd wordt.<footnote-ref linkend="_71849ac0-90e8-47b7-991f-e046dc3ce943" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Gezien het onder 6.1 en 6.2 overwogene overweegt de rechtbank dat een</para>
        <para>maximumduur van de bewaring van zes weken als redelijkerwijs noodzakelijk kan worden beschouwd in de situatie dat een vreemdeling in bewaring wordt gesteld met een lopende asielaanvraag en er aanknopingspunten zijn dat de Dublinverordening van toepassing is, namelijk vier weken voor de behandeling van de asielaanvraag (6.1) en enkele dagen voor de feitelijke overdracht (6.2). Deze termijn kan langer zijn wanneer de overdracht gefrustreerd wordt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>7. De rechtbank stelt vast dat in het geval van eiser de maatregel van bewaring negen</para>
        <para>weken heeft geduurd.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Eiser heeft op 19 oktober 2021 zijn tweede opvolgende asielaanvraag ingediend en</para>
        <para>op 20 oktober 2021 is hij in bewaring gesteld. Vervolgens is eiser pas op 9 november 2021 uitgenodigd voor een gehoor in het kader van zijn tweede opvolgende aanvraag en op dezelfde dag is het voornemen uitgebracht. Op 19 november 2021, meer dan vier weken na het moment van inbewaringstelling, heeft verweerder besloten de asielaanvraag niet in behandeling te nemen. Verweerder heeft vervolgens op 21 november 2021 een vertrekgesprek met eiser gehouden, maar pas op 9 december 2021 een (eerste) vlucht geboekt.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Volgens de rechtbank valt niet in te zien waarom verweerder eiser pas na drie</para>
        <para>weken heeft uitgenodigd voor een gehoor en dat de behandeltermijn van eisers asielaanvraag in zijn totaliteit langer dan vier weken is. In dit kader acht de rechtbank van belang dat een behandeltermijn van vier weken redelijkerwijs noodzakelijk is voor een inhoudelijke behandeling van een (eerste) asielaanvraag en dat het in het onderhavige geval gaat om een tweede opvolgende aanvraag die verweerder niet in behandeling heeft genomen. De behandeltermijn die hiervoor redelijkerwijs noodzakelijk is, kan logischerwijs aanmerkelijk korter zijn.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Ook na de beslissing op de asielaanvraag (19 november 2021) heeft verweerder niet</para>
        <para>binnen enkele dagen de overdracht ingepland, maar pas op 9 december 2021. Uit het dossier volgt niet dat het inplannen van een overdracht binnen enkele dagen niet is gelukt omdat eiser dit heeft gefrustreerd. Op 6 december 2021 heeft eiser pas geen medewerking verleend aan de PCR-test waardoor de overdracht op 9 december 2021 is geannuleerd.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.4.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder niet heeft voldaan aan het in</para>
        <para>artikel 28, lid 3, eerste alinea, van deze verordening genoemde beginsel, dat de bewaring zo kort mogelijk duurt en niet langer dan de tijd die redelijkerwijs nodig is om de vereiste administratieve procedures zorgvuldig af te ronden totdat de overdracht uit hoofde van de verordening is uitgevoerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>8. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is met ingang van 2 december</para>
      <para>2021 onrechtmatig. </para>
      <para />
      <para>9. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor</para>
      <para>21 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 21 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 2.100,-. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1). </para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser</para>
    <parablock>
      <para>tot een bedrag van € 2.100,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van</para>
      <para>deze schadevergoeding;</para>
    </parablock>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 759,-.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse - Pot, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>M.M. Neutgens, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
      <para />
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_d45f52d6-0f25-4735-9022-a44c798b446f" label="1">
    <para> Zaaknummer NL21.16932 (niet gepubliceerd).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b81578cb-ff4f-49e3-ad00-1c0ec53d618f" label="2">
    <para> Zaak C 60/16, ECLI:EU:C:2017:675 (Mohammad Khir Amayry tegen Migrationsverket).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_71849ac0-90e8-47b7-991f-e046dc3ce943" label="3">
    <para> Kamerstuk 33699, nr. 3, pagina 12.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>