<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:16290</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-01-23T15:37:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-01-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-01-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">EOB-1-2021030986</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#raadkamer">Raadkamer</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:16290">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:16290</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-01-23T15:36:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-01-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:16290 Rechtbank Den Haag , 25-01-2022 / EOB-1-2021030986</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:16290:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EOB beklag ex art 522a jo art 5.4.10 Sv niet-ontvankelijk</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:16290:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>beslissing</para>
  <mediaobject>
    <imageobject>
      <imagedata align="center" scale="100" fileref="fa24e3e9-3157-4a5c-9c27-4e8bbbbe9963" depth="2" width="526" format="image/png" />
    </imageobject>
  </mediaobject>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Strafrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Lurisnummer: EOB-1-2021030986 Raadkamernummer: 21/2990</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Beslissing van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het beklag ex artikel 552a juncto artikel 5.4.10 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:</emphasis>
    </para>
    <para />
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [klager] ,</emphasis>
    </para>
    <para>geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] ,</para>
    <para>adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] . hierna: klager.</para>
    <para />
    <para>1. <emphasis role="bold">Inleiding</emphasis></para>
    <para>Naar aanleiding van twee Europees Onderzoeksbevelen (hierna: EOB's) van de Belgische autoriteiten, is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek, op 29 september 2021 beslag gelegd op een geldbedrag, te weten €12.000,- (zegge: twaalfduizend euro) alsmede op de goederen vermeld in het proces-verbaal van doorzoeking d.d. 8 november 2021.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Klager heeft op 9 december 2021 bij deze rechtbank een beklag ex artikel 552a Sv ingediend, strekkende tot teruggave van voormelde goederen.</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De procedure in raadkamer</title>
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft dit beklag op 11 januari 2022 in besloten raadkamer behandeld en heeft kennis genomen van het dossier met bovengenoemd lurisnummer.</para>
      <para>De Belgische autoriteiten hebben in de aanhef van de door hen uitgevaardigde EOB's verzocht om geheimhouding van het onderliggende onderzoek. De EOB's en de onderliggende stukken zijn daarom niet verstrekt aan klager.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Klager is gehoord. De officier van justitie, mr. A.M. Ariese, is gehoord.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het standpunt van klager</title>
    <para>Klager heeft zich op het standpunt gesteld dat de inbeslaggenomen goederen en gegevens aan de klager teruggegeven dienen te worden. De brief over de inbeslagname van de goederen heeft hij pas een maand na de doorzoeking ontvangen. Klager was niet op de hoogte van de termijn van 14 dagen om een klaagschrift in te dienen.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het standpunt van de officier van justitie</title>
    <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu het klaagschrift niet tijdig is ingediend. De officier van justitie merkt op dat het inbeslaggenomen geldbedrag zal worden geretourneerd aan klager.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Het oordeel van de rechtbank</title>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <parablock>
        <para>De bevoegdheid van de rechtbank</para>
        <para>De rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het beklag, nu de erkenning en tenuitvoerlegging van het EOB is geschied door de officier van justitie van het arrondissementsparket te Den Haag.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <parablock>
        <para>De ontvankelijkheid van klager</para>
        <para>Ingevolge artikel 5.4.10 Sv moet een beklag tegen inbeslagname naar aanleiding van een EOB binnen veertien dagen na kennisgeving van het rechtsmiddel worden ingediend bij de rechtbank.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Na de beslaglegging op 29 september 2021 is aan klager door het toezenden van het proces­ verbaal van doorzoeking d.d. 8 november 2021 kennisgeving verstrekt. Klager heeft vervolgens buiten de termijn van veertien dagen zijn klaagschrift ingediend bij de rechtbank, zodat hij niet kan worden ontvangen in zijn beklag. Van een verontschuldigbare termijnoverschrijding is de rechtbank niet gebleken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ten overvloede constateert de rechtbank dat de in artikel 5.4.10, vierde lid, Sv neergelegde wettelijke termijn van dertig dagen om tot een beschikking te komen, is overschreden. Dit heeft echter geen gevolgen voor de beoordeling van het beklag, nu deze krappe termijn - evenals de andere termijnen met betrekking tot het EOB - tot doel heeft de doorlooptijden in de internationale samenwerking te beknotten en niet het borgen van de belangen van individuele betrokkenen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beklag.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan te Den Haag door mr. K.C.J. Vriend, rechter, in tegenwoordigheid van mr.</para>
      <para>D.G. Lammerts van Bueren, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 25 januari 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is ondertekend door de rechter en de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>