<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:16259</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-02-15T16:22:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-02-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-11-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 21 _ 6897</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:16259">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:16259</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-02-15T16:20:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-02-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:16259 Rechtbank Den Haag , 28-11-2022 / AWB - 21 _ 6897</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:16259:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Met de uitspraak in beroep SGR 21/6911 is de connexiteit gewijzigd, in die zin dat connexiteit bestaat met 2 bezwaren tegen verschillende besluiten van verschillende bestuursorganen binnen de gemeente. Geen spoedeisend belang, besluiten niet evident onrechtmatig.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:16259:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold caps">Rechtbank DEN Haag</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 21/6897 BESLU </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 november 2022 op het verzoek om voorlopige voorziening van</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de burgemeester van Den Haag, verweerder (I)</title>
    <para>(gemachtigde: mr. E.P. Alonso) </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder (II)</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Procedureverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek om handhaving van 13 augustus 2021 (18:53 uur, II) door de gemeente Den Haag </para>
      <para>(SGR 21/6911 BESLU). Voorts heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en overweegt daartoe als volgt.</para>
    <para />
    <para>2. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is slechts plaats indien sterke twijfel bestaat aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit en een zwaarwegend spoedeisend belang maakt dat het voor betrokkene onevenredig bezwaarlijk zou zijn de beslissing in de hoofdzaak te moeten afwachten.</para>
    <para />
    <para>3. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat verzoeker met zijn verzoek van </para>
    <para>13 augustus 2021 (II) een omvangrijk handhavingsverzoek heeft gedaan met betrekking tot vijf horecagelegenheden aan [straatnaam] te Den Haag. Het betreft verschillende regelgeving, waaruit voortvloeit dat verschillende bestuursorganen binnen de gemeente Den Haag bevoegd zijn. Het is dan ook niet mogelijk om, hoewel verzoeker dat lijkt te beogen, alle aspecten van zijn handhavingsverzoek (II) als één samenhangend geheel ter beoordeling voor te leggen aan (de voorzieningenrechter van) de rechtbank. Daarom zal de voorzieningenrechter zich, voor zover hier van belang, beperken tot hetgeen aan de orde is (geweest) in het connexe beroep SGR 21/6911 BESLU.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Verzoeker heeft, voor zover hier van belang, als spoedeisend belang aangevoerd dat voor hulpdiensten in voetgangersgebieden een bepaalde vrije doorgang gegarandeerd moet zijn. In [straatnaam] is er geen ruimte om terrassen uit te stallen en de doorgang van hulpdiensten te garanderen. Voorts is na sluitingstijd sprake van overlast van bezoekers die de terrassen bezoeken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Verweerder I heeft bij besluit van 3 november 2021 het verzoek om handhaving, dat (deels) onder zijn bevoegdheid valt, afgewezen. Er is onderzoek ingesteld en er zijn geen overtredingen of overlast geconstateerd. Voor aanpassing van exploitatievergunningen ziet verweerder geen aanleiding, omdat deze voldoende voorwaarden bevatten om aantasting van het woon- en leefklimaat tegen te gaan.</para>
        <para>Verweerder II heeft bij besluit van 21 december 2021 het verzoek om handhaving dat, (deels) onder zijn bevoegdheid valt, afgewezen. Vermeld is dat in overeenstemming met het Voor Overleg Verkeerszaken (VOV) is aangegeven dat het voor de hulpdiensten niet noodzakelijk is om [straatnaam] in te rijden. Er wordt gekeken naar de mogelijkheden om de leefbaarheid op [straatnaam] te verbeteren. Verweerder II komt te zijner tijd met een concreet plan hiervoor. Er zijn geen overtredingen of overlast geconstateerd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Bij uitspraak van heden heeft de rechtbank uitspraak gedaan in het beroep SGR 21/6911 BESLU. Daarbij is </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek van 13 augustus 2021 (II), voor zover dit hoort tot de bevoegdheid van verweerder I, niet-ontvankelijk verklaard; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het beroep tegen het besluit van 3 november 2021 naar verweerder I verwezen ter behandeling als bezwaar;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek van 13 augustus 2021 (II), voor zover dit hoort tot de bevoegdheid van verweerder II, niet-ontvankelijk verklaard; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het beroep tegen het besluit van 21 december 2021 naar verweerder II verwezen ter behandeling als bezwaar.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>Door deze uitspraak van de rechtbank is de connexiteit gewijzigd, in die zin dat deze is ontstaan tussen het verzoek om een voorlopige voorziening en de bezwaren tegen het besluit van verweerder I van 3 november 2021 en het besluit van verweerder II van </para>
        <para>21 december 2021.<footnote-ref linkend="_56a9c34a-24e4-4de9-bcd8-0b3607fc486f" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter overweegt dat verweerders I en II, bezien in het licht van hun afzonderlijke bevoegdheden, geen overlast hebben kunnen vaststellen en geen aanleiding zien om handhavend op te treden. Over toegang van hulpdiensten tot [straatnaam] bestaan afspraken. Verzoeker heeft dit niet betwist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, nu evenmin is gebleken van dreigende onomkeerbare gevolgen, het spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening niet als zwaarwegend kan worden aangemerkt. </para>
      <para />
      <para>5. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan een voorlopige voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is vooralsnog niet gebleken dat zeer ernstig moet worden getwijfeld aan de juistheid van de ingenomen standpunten in het besluit van verweerder I van 3 november 2021 en het besluit van verweerder II van </para>
      <para>21 december 2022. Van een evident onrechtmatig besluit is vooralsnog geen sprake.</para>
      <para />
      <para>6. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. </para>
      <para />
      <para>7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op </para>
      <para>28 november 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.</para>
  </section>
  <footnote id="_56a9c34a-24e4-4de9-bcd8-0b3607fc486f" label="1">
    <para>Uitspraak van deze rechtbank van 4 maart 2008 (ECLI:NL:RBSGR:2008:BC7001)</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>