<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:16049</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-09-01T13:55:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-08-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-05-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20_7892</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:16049">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:16049</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-09-01T13:55:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-09-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:16049 Rechtbank Den Haag , 25-05-2022 / 20_7892</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:16049:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Intrekking vovo met gelijktijdig verzoek om PKV. Tegemoetgekomen aan situatie. Aan verzoekers wordt per 1 mei 2022 een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden verstrekt. PKV-toekenning.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:16049:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR 20/7892</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 mei 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [verzoeker 1] en [verzoeker 2], te [woonplaats], verzoekers</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. S. Karkache),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 10 november 2020 hebben verzoekers beroep (SGR 20/7110) ingesteld vanwege de weigering van verweerder om een besluit te nemen op de aanvraag om algemene bijstand van 11 juni 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 14 december 2020 hebben verzoekers zich tot de voorzieningenrechter gewend met een verzoek om een voorlopige voorziening ten aanzien van het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. Verzoekers hebben verzocht om bijstand naar de norm voor gehuwden te verstrekken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 14 december 2020 heeft verweerder een besluit genomen op de aanvraag om algemene bijstand van 11 juni 2020. In dat besluit heeft verweerder per 1 mei 2020 aan verzoekers bijstand toegekend naar de norm voor gehuwden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekers hebben bij faxbericht van 30 december 2020 hun verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en de voorzieningenrechter verzocht om over te gaan tot veroordeling van verweerder in de proceskosten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 8 januari 2021 heeft verweerder gereageerd. Verweerder kan zich niet vinden in een veroordeling in de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Ingevolge artikel 8:84, vijfde lid, gelezen in samenhang met artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, in geval van intrekking van het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen en indien daarom bij intrekking is verzocht, het bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van die wet veroordelen. </para>
    <para />
    <para>2. Bij de overeenkomstige toepassing van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb in een voorlopige voorzieningprocedure dient de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetkomen in de eerste plaats te worden gerelateerd aan het specifieke doel van die procedure, te weten het voorkomen van onevenredig nadeel hangende de bezwaar- of beroepsprocedure. Aldus wordt geheel of gedeeltelijk tegemoetgekomen in de zin van dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het primaire besluit voorlopig opschort, dan wel anderszins een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.</para>
    <para />
    <para>3. Gelet op het voorgaande doet dat geval zich hier voor. Op 14 december 2020 heeft verweerder een besluit genomen, waarbij aan verzoekers per 1 mei 2020 een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden wordt verstrekt. Voor het overige verwijst de voorzieningenrechter naar de rechtsoverwegingen 12.2 en 12.3 van de uitspraak van de rechtbank van 6 januari 2022, inzake het beroep van verzoekers, SGR 20/7110. </para>
    <para />
    <para>4. Het verzoek wordt gelet op het voorgaande als kennelijk gegrond toegewezen. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de proceskosten die verzoekers hebben gemaakt. Deze kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de voorzieningenrechter overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op </para>
    <parablock>
      <para>€ 379,50 (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift met een waarde per punt van</para>
      <para>€ 759,- met een wegingsfactor 0,5).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 379,50.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.M. Kettenis-de Bruin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. Jansen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op </para>
      <para>25 mei 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. </para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>