<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:15565</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-24T15:06:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-12-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 21/5845</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:15565">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:15565</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-24T15:05:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:15565 Rechtbank Den Haag , 05-12-2022 / AWB 21/5845</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:15565:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>De ingangsdatum van de verblijfsvergunning wordt in dit geval geregeld door het nationale recht en niet het Associatierecht. Eiser is namelijk na afloop van zijn verblijfsvergunning regulier niet langer aan te merken als werknemer in de zin van artikel 6, eerste lid, Besluit 1/80. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn stelling dat hij op grond van het Associatierecht vanaf 27 december 2019 doorlopend en van rechtswege verblijfsrecht heeft en dat hij per 1 december 2021 vrij is op de arbeidsmarkt op grond van Besluit 1/80.</para>
        <para>Eiser heeft pas in de bezwaarfase aangetoond te voldoen aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking “het verrichten van arbeid als zelfstandige”. </para>
        <para>Eiser voert verder aan dat de regel van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder c, kolom II, Vb waarbij de verblijfsvergunning voor twee jaar wordt verleend, in strijd is met het Associatierecht. De rechtbank is het met eiser eens, dat het nationale recht wel kan worden beperkt door de standstillbepaling van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol, in die zin dat er geen ongunstiger bepalingen mogen worden ingevoerd. De geldigheidsduur van een verblijfsvergunning ten tijde van het afsluiten van het Aanvullend Protocol was één jaar was voor alle vreemdelingen, met uitzondering van onderdanen van de lidstaten van de EEG. Eiser is niet aan te merken als een onderdaan van de EU en hoeft evenmin op dezelfde wijze worden behandeld. Turkse onderdanen hebben namelijk niet dezelfde rechten als gemeenschapsonderdanen. Dat betekent dat op het verlenen van een verblijfsvergunning van een Turkse onderdaan voor het verrichten van arbeid als zelfstandige, artikel 24 van het VV (oud) van toepassing was. In dat artikel was in het eerste lid bepaald dat de duur waarvoor een vergunning tot verblijf wordt verleend ten hoogste één jaar bedraagt. Verweerder heeft daarom niet in strijd met de standstillbepaling van artikel 41, eerste lid, Aanvullend Protocol gehandeld door aan eiser een verblijfsvergunning te verlenen voor de duur van twee jaar, er is juist sprake van een gunstigere behandeling.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:15565:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Haarlem </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AWB 21 / 5845 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 8 februari 2023 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] ,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>geboren op [datum] 1983, van Turkse nationaliteit, </para>
      <para>V-nummer [v-nummer] ,</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>(gemachtigde: mr. S. Kahraman, advocaat te Alkmaar),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. A. van Gijssel).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para>Bij besluit van 10 november 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor het doel “arbeid als zelfstandige” afgewezen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 8 september 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en aan hem met ingang van 26 april 2021 de gevraagde verblijfsvergunning verleend. </para>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. </para>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2022. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is niet verschenen. </para>
      <para>Nadat het onderzoek ter zitting was gesloten, heeft de rechtbank partijen op 15 juni 2022 bericht dat het onderzoek wordt heropend en dat de zaak voor (verdere) behandeling wordt verwezen naar de meervoudige kamer. </para>
      <para>Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2022. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <bridgehead role="underline">Feiten</bridgehead>
    <para />
    <para>1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Op 15 november 2018 is namens eiser een aanvraag ingediend voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “arbeid als kennismigrant bij [bedrijf] B.V.” Deze verblijfsvergunning is verleend met ingang van 1 december 2018 en tot 31 december 2019. </para>
    <parablock>
      <para>Eiser heeft op 27 december 2019 een aanvraag ingediend om wijziging van de beperking van zijn verblijfsvergunning in de beperking “arbeid als zelfstandige”. Op 4 november 2020 heeft de RvO<footnote-ref linkend="_6c6dbf44-d62b-45b1-96ab-69366ea53428" /> op verzoek van verweerder een advies uitgebracht. Hierin concludeert de RvO dat geen sprake is van een wezenlijk Nederlands economisch belang. Daarop heeft verweerder het primaire besluit genomen.</para>
      <para>Eiser heeft op 26 april 2021, in bezwaar, aanvullende stukken ingediend. Op 6 september 2021 heeft de RvO op verzoek van verweerder opnieuw advies uitgebracht. In dit advies heeft de RvO geconcludeerd dat het aannemelijk is dat eiser van toegevoegde waarde is voor Nederland en dat sprake is van een wezenlijk Nederlands economisch belang. Verweerder heeft daarop eisers bezwaar tegen het afwijzende primaire besluit gegrond verklaard en aan eiser met ingang van 26 april 2021 de gevraagde verblijfsvergunning verleend voor de duur van twee jaar. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Partijen verschillen nog van mening over de ingangsdatum en de geldigheidsduur van de vergunning.</para>
    <bridgehead role="underline">Ingangsdatum verblijfsvergunning </bridgehead>
    <para>3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat op basis van de door eiser op 26 april 2021 overgelegde stukken de RvO een positief advies heeft uitgebracht. Eiser heeft dan op die datum voor het eerst aangetoond dat hij aan de voorwaarden voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning voldoet. Daarom wordt hem, in overeenstemming met artikel 26, eerste lid, Vw<footnote-ref linkend="_942d1b9b-8878-4260-9dd2-3c7ce8d85090" />, met ingang van die datum de verblijfsvergunning verleend.</para>
    <para>4. Eiser voert aan dat de verleende verblijfsvergunning slechts het van rechtswege ontstane verblijfsrecht bevestigt. Eiser heeft op 1 december 2018 een verblijfsvergunning verkregen als kennismigrant en heeft sindsdien voortdurend verblijfsrecht vanwege het karakter van het Associatierecht. Ten tijde van zijn aanvraag heeft hij zijn werkzaamheden op een legale wijze voorgezet op basis van de verblijfsticker met arbeidsmarktaantekening. De rechten die door artikel 6, eerste lid, Besluit 1/80 worden toegekend aan Turkse werknemers, bestaan ongeacht de afgifte van een administratief document door de autoriteiten. De afgifte van een document is slechts een constatering van het bestaan van die rechten, maar is niet een voorwaarde. Eiser wijst op het arrest Bozkurt<footnote-ref linkend="_4ad71a3e-7da0-47e3-b20c-4379c5828c44" /> van het Hof. <footnote-ref linkend="_0bd27984-3627-4804-a6d8-6d602881b8a4" /></para>
    <para />
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <parablock>
        <para>Ingevolge artikel 6, eerste lid, van Besluit 1/80 heeft de Turkse werknemer die tot de </para>
        <para>legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoort: </para>
      </parablock>
      <para>- na een jaar legale arbeid in die lidstaat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij</para>
      <para>dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft;</para>
      <para>- na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang, in die lidstaat het recht om in hetzelfde beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod, gedaan onder normale voorwaarden en geregistreerd bij de arbeidsbureaus van die lidstaat;</para>
      <para>- na vier jaar legale arbeid in die lidstaat vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>Zoals het Hof in het arrest Genc<footnote-ref linkend="_077bf35a-8350-4bec-b9f2-2413f56f5ac0" />heeft overwogen, is uit de bewoordingen van artikel 12 van de Associatieovereenkomst EEG-Turkije, artikel 36 van het Aanvullend Protocol en de doelstelling van Besluit 1/80 in vaste rechtspraak afgeleid dat de beginselen die zijn erkend in het kader van de in de artikelen 39 VEG<footnote-ref linkend="_a352d9e2-17f2-4f4b-a415-85e87862f719" /> en 40 VEG en artikel 41 VEG zo veel mogelijk moeten worden toegepast op Turkse staatsburgers die de bij Besluit 1/80 toegekende rechten genieten<footnote-ref linkend="_a1a58ad8-ec05-4009-a00f-4ac4b4c1d77d" />. Het Hof herhaalt verder in het arrest Genc dat het begrip “werknemer” in de zin van artikel 39 VEG een autonome inhoud heeft en niet restrictief mag worden uitgelegd. “Werknemer” is iedereen die reële en daadwerkelijke arbeid verricht, met uitsluiting van werkzaamheden van zo geringe omvang dat zij louter marginaal en bijkomstig zijn. Volgens de rechtspraak van het Hof wordt de arbeidsverhouding daardoor gekenmerkt dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties verricht tegen beloning.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat eiser met ingang van 1 december 2018 werkzaamheden heeft verricht in een arbeidsverhouding die is gekenmerkt doordat eiser voor een ander, te weten [bedrijf] B.V., en onder diens gezag prestaties heeft verricht tegen beloning. Hiermee is eiser vanaf deze datum aan te merken als werknemer als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Besluit 1/80. Eiser heeft de vergunning die hem als kennismigrant was verleend tot 31 december 2019 echter niet verlengd en is aansluitend arbeid als zelfstandige gaan verrichten. Gesteld noch gebleken is, dat eiser na afloop van zijn vergunning als kennismigrant nog een jaar bij dezelfde werkgever dan wel tenminste drie jaar legale arbeid als werknemer heeft verricht. Eiser verricht immers niet langer voor een ander en onder diens gezag prestaties tegen een beloning. Eiser is na afloop van zijn verblijfsvergunning regulier dan ook niet langer aan te merken als werknemer in de zin van artikel 6, eerste lid, Besluit 1/80. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn stelling dat hij op grond van het Associatierecht vanaf 27 december 2019 doorlopend en van rechtswege verblijfsrecht heeft en dat hij per 1 december 2021 vrij is op de arbeidsmarkt op grond van Besluit 1/80. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4</nr>
      <para>Hieruit volgt dat het nationale recht het recht regelt op vestiging van een Turks onderdaan als zelfstandige en niet het Associatierecht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5</nr>
      <para>Ingevolge artikel 26 Vw, wordt de verblijfsvergunning, die van rechtswege rechtmatig verblijf inhoudt, verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser pas op 26 april 2021 heeft aangetoond te voldoen aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking “het verrichten van arbeid als zelfstandige”. Op die datum heeft eiser aanvullende gronden van bezwaar ingediend, met als bijlage een overeenkomst met Yacht Externen Management, ondertekend op 9 februari 2021. Mede op grond van deze overeenkomst heeft de RvO alsnog een positief advies afgegeven en geconcludeerd dat eiser voorziet in een behoefte. </para>
      <para />
      <para>6. Gelet hierop heeft verweerder de vergunning terecht verleend met de ingangsdatum 26 april 2021. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Geldigheidsduur verleende verblijfsvergunning</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>7. Eiser voert aan dat de regel van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder c, kolom II, Vb<footnote-ref linkend="_a186c387-9db3-4755-8f5a-91b1130cc51a" /> waarbij de verblijfsvergunning voor twee jaar wordt verleend, in strijd is met het Associatierecht. De huidige wetgeving en praktijk is minder gunstig dan die in het verleden en is daarom in strijd met de standstillbepaling van artikel 41, eerste lid, Aanvullend Protocol. Eiser wijst op het arrest van het Hof van 20 september 2007<footnote-ref linkend="_bfebc90f-a897-4b85-b00e-c9ad8a1868c5" />. In artikel 94, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenbesluit (oud) is neergelegd dat de geldigheidsduur van vergunningen tot verblijf, verleend aan begunstigde EEG<footnote-ref linkend="_87047d8d-1731-42ae-9237-5894b4cc4e6a" />-onderdanen, wordt gesteld op vijf jaren indien de verzoeker als zelfstandige werkzaamheden verricht. Dit moet analoog worden toegepast voor Turkse werknemers en zelfstandigen die rechten kunnen ontlenen aan het Turkse Associatierecht. Het is aan verweerder om aannemelijk te maken dat een regel of het ter uitvoering van die regel gevoerde beleid of de gehanteerde toepassing van die regel of dat beleid geen door artikel 41, eerste lid, Aanvullend Protocol verboden nieuwe beperking behelst. Dit is door verweerder ten onrechte niet betrokken in het bestreden besluit. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>De rechtbank is het met eiser eens, dat het nationale recht wel kan worden beperkt door de standstillbepaling van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol, in die zin dat er geen ongunstiger bepalingen mogen worden ingevoerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2</nr>
      <para>Ter zitting heeft verweerders gemachtigde er op gewezen dat de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning ten tijde van het afsluiten van het Aanvullend Protocol één jaar was voor alle vreemdelingen, met uitzondering van onderdanen van de lidstaten van de EEG (tegenwoordig Europese Unie). Eiser heeft dit niet bestreden. Verweerder heeft er verder terecht op gewezen dat eiser niet is aan te merken als een onderdaan van de EU en evenmin op dezelfde wijze zou moeten worden behandeld. Turkse onderdanen hebben namelijk niet dezelfde rechten als gemeenschapsonderdanen. Het Associatierecht, en in het bijzonder artikel 41, tweede lid, Aanvullend Protocol, beoogt immers niet meer dan de geleidelijke opheffing van de beperkingen met betrekking tot de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten. Indien Turkse onderdanen gelijk zouden moeten worden behandeld als onderdanen van de lidstaten van de EU dan zou geen sprake meer zijn van een geleidelijke opheffing. Ook in de jurisprudentie van het Hof is geen aanwijzing te vinden voor eisers stelling dat Turkse onderdanen gelijk moeten worden behandeld als burgers van de Unie, noch dat rechten die ten tijde van de invoering van de standstillbepaling golden voor gemeenschapsonderdanen, zoals artikel 94, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenbesluit (oud), analoog op Turkse onderdanen moeten worden toegepast. Dat betekent dat op het verlenen van een verblijfsvergunning van een Turkse onderdaan voor het verrichten van arbeid als zelfstandige, artikel 24 van het Voorschrift Vreemdelingen (oud) van toepassing was. In dat artikel was in het eerste lid bepaald dat de duur waarvoor een vergunning tot verblijf wordt verleend ten hoogste één jaar bedraagt. Verweerder heeft daarom niet in strijd met de standstillbepaling van artikel 41, eerste lid, Aanvullend Protocol gehandeld door aan eiser een verblijfsvergunning te verlenen voor de duur van twee jaar, er is juist sprake van een gunstigere behandeling. De beroepsgrond slaagt niet. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>8. Het beroep is ongegrond.</para>
      <para>9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, voorzitter, en mr. S. Mac Donald en mr. H. Battjes, in aanwezigheid van mr. drs. S.R.N. Parlevliet, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						voorzitter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Coll:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>Rechtsmiddel<?linebreak?>Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. </bridgehead>
  <footnote id="_6c6dbf44-d62b-45b1-96ab-69366ea53428" label="1">
    <para> Rijksdienst voor Ondernemend Nederland </para>
  </footnote>
  <footnote id="_942d1b9b-8878-4260-9dd2-3c7ce8d85090" label="2">
    <para> Vreemdelingenwet</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4ad71a3e-7da0-47e3-b20c-4379c5828c44" label="3">
    <para> Arrest van 6 juni 1995, ECLI:EU:C:1995:168</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0bd27984-3627-4804-a6d8-6d602881b8a4" label="4">
    <para>  Hof van Justitie van de Europese Unie</para>
  </footnote>
  <footnote id="_077bf35a-8350-4bec-b9f2-2413f56f5ac0" label="5">
    <para> ECLI:EU:C:2010:57 </para>
  </footnote>
  <footnote id="_a352d9e2-17f2-4f4b-a415-85e87862f719" label="6">
    <para> Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a1a58ad8-ec05-4009-a00f-4ac4b4c1d77d" label="7">
    <para> Zie bijvoorbeeld het arrest Bozkurt, ECLI:EU:C:1995:168</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a186c387-9db3-4755-8f5a-91b1130cc51a" label="8">
    <para> Vreemdelingenbesluit 2000</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bfebc90f-a897-4b85-b00e-c9ad8a1868c5" label="9">
    <para> Zaak C-16/05, Tum en Dari, ECLI:EU:C:2007:530</para>
  </footnote>
  <footnote id="_87047d8d-1731-42ae-9237-5894b4cc4e6a" label="10">
    <para> Europese Economische Gemeenschap</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>