<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:15498</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-02T08:45:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-12-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.24420 en NL22.24422</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:15498">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:15498</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-23T10:57:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:15498 Rechtbank Den Haag , 21-12-2022 / NL22.24420 en NL22.24422</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:15498:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin, Italië, interstatelijk vertrouwensbeginsel, ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:15498:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht</para>
      <para>zaaknummers: NL22.24420 en NL22.24422</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eisers] , mede namens hun drie minderjarige kinderen</emphasis>, eisers V-nummers: [V-nummer 1] en [V-nummer 2]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid</emphasis>, verweerder (gemachtigde: mr. A.A. Wildeboer).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluiten van 28 november 2022 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de beroepen, tezamen met de zaken NL22.24421 en NL22.24423, op 13 december 2022 op zitting behandeld. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Verweerder heeft de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen.1 De reden daarvoor is dat volgens verweerder op grond van de Dublinverordening2 Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen. In dit geval heeft verweerder een overnameverzoek naar Italië verstuurd. Italië heeft hier niet op tijd op gereageerd, waardoor er een fictief akkoord is ontstaan en de verantwoordelijkheid van Italië is komen vast te staan.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="bba3b351-5d38-42d8-820a-ec1b17e2d1e0" depth="1" width="193" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para>1. Artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingwet 2000 (Vw).</para>
    <para>2 Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Interstatelijk vertrouwensbeginsel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eisers stellen zich op het standpunt dat de situatie in Italië slecht is voor asielzoekers. Daarbij wordt verwezen naar het Country report: Italy, update 2021 van AIDA van 20 mei 2022 (het AIDA-rapport). Verweerder is niet inhoudelijk ingegaan op dat rapport. Verweerder heeft hierover alleen gesteld dat dit rapport, net als de brief van Vluchtelingenwerk die in de zienswijze is overgelegd, in lijn is met uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Een nadere motivering heeft verweerder niet gegeven, terwijl uit deze rapporten wel blijkt hoe slecht de omstandigheden omtrent onder meer de opvang van vluchtelingen in Italië is.</para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank overweegt dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Italië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De ABRvS heeft dit bevestigd in onder meer de uitspraken van 19 april 20213, 26 november 20214, 6 januari 20225 en 26 augustus 20226. Het is aan eisers om aannemelijk te maken dat in hun geval niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden.</para>
    <para />
    <para>4. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers onvoldoende aannemelijk gemaakt dat in hun geval niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Verweerder heeft in de bestreden besluiten verwezen naar de hierboven genoemde uitspraak van de ABRvS van 26 augustus 2022. In deze uitspraak staat dat het AIDA-rapport waar eisers naar hebben verwezen geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Italië voor Dublinclaimanten, dan eerdere rapporten. Eisers hebben niet gemotiveerd waarom dit een onvoldoende reactie zou zijn op hetgeen zij in de zienswijze naar voren hebben gebracht. Hierdoor is niet gebleken op grond waarvan verweerder tekort is geschoten in zijn motivering. De situatie in Italië is zorgelijk, maar eisers hebben met de enkele algemene verwijzing naar het AIDA-rapport niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van tekortkomingen die dermate zwaarwegend zijn, dat niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De beroepen zijn ongegrond.</para>
    <para />
    <para>6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="d0b63195-7756-4f9c-82dd-17546eff20c3" depth="1" width="193" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para>3 ECLI:NL:RVS:2021:881.</para>
    <para>4 ECLI:NL:RVS:2021:2738.</para>
    <para>5 ECLI:NL:RVS:2022:38.</para>
    <para>6 ECLI:NL:RVS:2022:2497.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>21 december 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="4a4c6e26-8811-4496-a713-fa17846dac02" depth="82" width="251" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Documentcode: [documentcode]</title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>