<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:15344</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-21T12:53:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-12-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.25176; NL22.25210</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:15344">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:15344</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-21T12:52:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:15344 Rechtbank Den Haag , 20-12-2022 / NL22.25176; NL22.25210</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:15344:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewaring, 1e beroep, tkb. Beroep tegen tkb niet ontvankelijk, eerder nog geldig tkb genomen. Rechtmatig verblijf in Portugal niet aannemelijk, motivering lichter middel onherstelbaar onvoldoende. Beroep gegrond, schadevergoeding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:15344:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht</para>
      <para>zaaknummers: NL22.25176 en NL 22.25210</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser]</emphasis>, eiser</para>
      <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker), en</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid</emphasis>, verweerder (gemachtigde: J.C. van Ossenbruggen-Theodoulou).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluiten van 6 december 2022 (de bestreden besluiten) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van bewaring moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de beroepen op 19 december 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Kabir. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt van Bengalese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1990.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het beroep tegen het terugkeerbesluit (NL22.25210)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Bij besluit van 18 mei 2022 heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning ingetrokken per 1 september 2021. Dit besluit omvat tevens een terugkeerbesluit. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser nadien de Europese Unie niet heeft verlaten, zodat dit terugkeerbesluit zijn werking nog niet heeft verloren. Dit betekent dat het terugkeerbesluit van 6 december 2022 niet is gericht op rechtsgevolgen en niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 6 december 2022 is daarom niet- ontvankelijk.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het beroep tegen de maatregel van bewaring (NL22.25176)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser stelt dat de maatregel van bewaring ten onrechte is opgelegd. Eiser verwijst naar een Portugese regeling die inhoudt dat houders van een visum wordt toegestaan om tijdens hun verblijf in Portugal werk te zoeken, te werken en een aanvraag te doen voor een verblijfsvergunning. Eiser stelt werk te hebben in Portugal en een aanvraag te hebben gedaan voor een Portugese verblijfsvergunning. Volgens eiser heeft hij op grond van de bedoelde Portugese regeling rechtmatig verblijf in dat land. Daarmee heeft het terugkeerbesluit van 18 mei 2022 zijn werking verloren en kan het niet dienen als basis voor de maatregel van bewaring.</para>
    <para />
    <para>4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aangetoond dat hij in Portugal beschikt over rechtmatig verblijf. De regeling waarnaar hij verwijst heeft uitdrukkelijk betrekking op derdelanders die beschikken over een visum. Naar het oordeel van de rechtbank biedt de regeling geen aanknopingspunt voor de stelling van eiser dat die óók van toepassing is op derdelanders zoals eiser, die in Portugal geen visum nodig hebben omdat zij in een andere EU-lidstaat over een verblijfsvergunning beschikken. Mocht dit toch anders zijn, dan overweegt de rechtbank dat de bedoelde regeling in werking is getreden in augustus 2022. Op dat moment beschikte eiser al niet meer over een rechtmatige verblijfstitel in Nederland. Aangezien eiser óók niet over een visum beschikt, is niet aangetoond dat de huidige regeling op hem van toepassing is. In ieder geval is de rechtbank niet gebleken dat het terugkeerbesluit van 18 mei 2021 zijn werking heeft verloren. De beroepsgrond faalt.</para>
    <para />
    <para>5. Eiser voert aan dat verweerder in de maatregel onvoldoende heeft gemotiveerd dat niet kon worden volstaan met de oplegging van een lichter middel. Eiser heeft in het gehoor, voorafgaande aan de maatregel tot bewaring verklaard dat hij opnieuw een studie wilde beginnen en dat hij zich daartoe had aangemeld bij een onderwijsinstelling.</para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank volgt eiser hierin. In het besluit tot oplegging van de maatregel is verweerder niet ingegaan op de omstandigheid dat eiser in Nederland (weer) wilde gaan studeren en dat hij zich daartoe heeft aangemeld bij de [opleiding] . Verweerder had dit wel moeten doen, omdat deze omstandigheid een aanknopingspunt biedt voor een reëel verblijfsdoel van eiser in Nederland en voor mogelijkheid dat eiser weer rechtmatig verblijf in Nederland krijgt. Eerst ter zitting heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de bedoelingen van eiser onduidelijk waren. Dit omdat eiser ook had verklaard dat hij terug wilde naar Portugal om daar te werken en een verblijfsvergunning aan te vragen. Voor zover er bij verweerder onduidelijkheden bestonden over de bedoelingen van eiser, dan had verweerder hem daarover nader moeten bevragen of hem de gelegenheid moeten bieden om zijn verklaringen toe te lichten. Nu verweerder dit niet heeft gedaan én verweerder in het besluit tot oplegging van de maatregel van bewaring niet is ingegaan op het door eiser geuite verblijfsdoel in Nederland, lijdt het besluit aan een onherstelbaar motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt dus.</para>
    <para />
    <para>7. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat besluit tot oplegging van de maatregel onrechtmatig is vanaf het moment van de oplegging daarvan. Het beroep tegen deze maatregel is daarom gegrond. De rechtbank beveelt dat de maatregel met ingang van heden wordt opgeheven. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van eiser geen bespreking meer.</para>
    <para />
    <para />
    <para>8. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 15 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel. Voor het verblijf van 15 dagen in een detentiecentrum ontvangt eiser € 100,- per dag. Dat is in totaal dus € 1.500,-.</para>
    <para />
    <para>9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">In zaaknummer NL22.25210</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep tegen het terugkeerbesluit niet-ontvankelijk.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">In zaaknummer NL22.25176</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep tegen de maatregel van bewaring gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 20 december 2022;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.500,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.518,00.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>20 december 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="4a36b81c-2a51-4e66-8a97-fb22562399ed" depth="82" width="251" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Documentcode: [documentcode]</title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>