<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:15164</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-16T09:00:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-12-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/7178</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:15164">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:15164</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-15T08:50:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:15164 Rechtbank Den Haag , 15-12-2022 / 21/7178</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:15164:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>naturalisatieverzoek afwegewezen, beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:15164:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR 21/7178 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], uit [woonplaats], (eiser)</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. K. Yousef),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid; (verweerder)</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J.M. Silde)</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 30 juni 2021 heeft verweerder het naturalisatieverzoek van eiser tot Nederlander afgewezen (het primaire besluit). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 19 oktober 2021(het bestreden besluit) is het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met instemming van partijen wordt uitspraak gedaan zonder zitting. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de naturalisatie van eiser geweigerd omdat hij bij uitspraak van 30 augustus 2021 onherroepelijk is veroordeeld door de strafrechter tot 40 uur taakstraf, subsidiair 20 dagen hechtenis. Daardoor bestaat een ernstig vermoeden dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde in de zin van de RWN.<footnote-ref linkend="_6520ac3a-8d3a-47bd-a605-38309f7e2fce" /></para>
    <para />
    <para>2. Eiser is het daar niet mee eens. Ten tijde van het primaire besluit was er nog geen strafrechtelijke veroordeling. Daarmee heeft verweerder in strijd gehandeld met de artikel 6 EVRM (onschuldpresumptie).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para> Verder is er geen rekening gehouden met zijn bijzondere omstandigheden. Het strafbare feit kan niet (volledig) aan hem worden toegerekend. Eiser verdedigde zich tegen dieven in zijn huis en is zelf ook mishandeld. Daarbij komt dat eiser zonder het Nederlanderschap zijn familie in Londen en Libanon niet kan bezoeken. Dit is onredelijk bezwarend voor eiser. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ernstige vermoedens </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a van de RWN wordt een verzoek om naturalisatie afgewezen als, op grond van het gedrag van de verzoeker, ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk. Verweerder heeft in de Handleiding bepaald wanneer er sprake is van zulke ernstige vermoedens. Deze Handleiding is het uitgangspunt bij een beoordeling of sprake is van een gevaar voor de openbare orde.<footnote-ref linkend="_cc6e8554-0c94-4ba2-9e8e-a49a3b35e292" /> Volgens de Handleiding is van ernstige vermoedens onder meer sprake, als aan eiser in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het verzoek of het besluit daarop een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer is gelegd. Met een sanctie wordt mede een taakstraf bedoeld. </para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank is van oordeel dat nu eiser is veroordeeld tot een taakstraf er sprake is van een ernstig vermoeden dat eiser een gevaar oplevert voor de openbare orde. Dat er ten tijde van het primaire besluit nog geen veroordeling voorlag maakt dit niet anders. In bezwaar vindt een volledige heroverweging plaats. Dit betekent dat wordt gekeken naar alle relevante feiten en omstandigheden zoals die zich voordoen op het moment van de beslissing op bezwaar. Daarbij komt dat uit de handleiding volgt dat ook een nog openstaande strafzaak een ernstig vermoeden oplevert. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bijzondere omstandigheden</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Uit de Handleiding volgt dat verweerder in zeer bijzondere omstandigheden kan afwijken van artikel 9 eerste lid, aanhef en onder a van de RWN. In het kader van de eenduidigheid, de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid maakt verweerder met zeer grote terughoudendheid gebruik van deze afwijkingsmogelijkheid. Bijzondere omstandigheden kunnen hoogstens tot de conclusie leiden dat eiser geen gevaar vormt voor de openbare orde. Indien wel ernstige vermoedens bestaan dat eiser een gevaar voor de openbare orde vormt, mag verweerder hem volgens de Handleiding niet naturaliseren.<footnote-ref linkend="_65542599-4585-48f3-81fe-3889c9f0537d" /></para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden van eiser niet zo bijzonder zijn dat verweerder van het beleid had moeten afwijken. Dat het strafbare feit volgens eiser niet volledig aan hem toe te rekenen is omdat er sprake zou zijn van verzachtende omstandigheden is daartoe onvoldoende. In de Handleiding is uitdrukkelijke bepaald dat niet als bijzonder kunnen worden aangemerkt omstandigheden die hebben geleid of bijgedragen tot het misdrijf, aangezien die omstandigheden, voor zover zij als verzachtende omstandigheden hebben te gelden, door de strafrechter bij diens oordeel zijn betrokken. </para>
    <para />
    <para>7. Ook de wens van eiser om zijn familie in het buitenland te bezoeken is niet zo’n bijzondere omstandigheid als bedoeld in de Handleiding. Die wens leidt er immers niet toe dat er niet langer een ernstig vermoeden bestaat dat eiser een gevaar vorm voor de openbare orde. <footnote-ref linkend="_6630df2d-765f-45fc-9a4d-802cdcd0f7f5" /></para>
    <para />
    <para>8. Het beroep van eiser op artikel 10 van de RWN, waarbij in bijzondere gevallen het Nederlanderschap kan worden verleend gaat hier verder niet op. Dit artikel heeft geen toepassing bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a van de RWN..</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>9.	De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het naturalisatieverzoek van eiser op goede gronden heeft geweigerd. Het beroep is ongegrond. Daarom is er geen aanleiding voor terugbetaling van het griffierecht en vergoeding van de proceskosten</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.T. van Bruggen, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Bent u het niet eens met deze uitspraak?						   </emphasis>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_6520ac3a-8d3a-47bd-a605-38309f7e2fce" label="1">
    <para> Artikel 9 eerste lid, aanhef en onder a van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna RWN).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cc6e8554-0c94-4ba2-9e8e-a49a3b35e292" label="2">
    <para>Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2759.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_65542599-4585-48f3-81fe-3889c9f0537d" label="3">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 maart 2021, ECLI:RVS:2021:683. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_6630df2d-765f-45fc-9a4d-802cdcd0f7f5" label="4">
    <para>Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:609. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>