<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:15124</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-14T09:00:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-11-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.8550, NL22.8551</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:15124">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:15124</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-09T11:02:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:15124 Rechtbank Den Haag , 16-11-2022 / NL22.8550, NL22.8551</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:15124:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>intrekking vbv partner - Turkse onderdaan - artikel 6 van Besluit 1/80 - legale arbeid - gelijkheidsbeginsel - geen ambtshalve toetsing vbv zoekjaar - art. 3.31b Vb - hoorplicht - beroep ongegrond - vovo N-O.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:15124:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: NL22.8550 (beroep) en NL22.8551 (voorlopige voorziening)</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer/voorzieningenrechter in de zaken tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres], eiseres</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [v-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. M. Erik),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. R.R. Scholtens).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 21 januari 2022 (primaire besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiseres onder de beperking ‘verblijf bij familie- of gezinslid’, per 1 maart 2021 ingetrokken. Verweerder heeft ook een terugkeerbesluit met een vrijwillige vertrektermijn van vier weken aan eiseres opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 10 mei 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep (NL22.8550) ingesteld. Ook heeft eiseres de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening (NL22.8551) te treffen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft alleen het beroep op 2 november 2022 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Ates. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1996 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiseres heeft per 9 juni 2020 een verblijfsvergunning regulier gehad voor verblijf bij haar toenmalige echtgenoot, [A] (referent). Verweerder heeft de verblijfsvergunning van eiseres ingetrokken, omdat de relatie tussen eiseres en referent per 1 maart 2021 is verbroken. Eiseres en referent wonen in ieder geval sinds 24 april 2021 niet meer samen en per 10 januari 2022 is het huwelijk ontbonden. Verweerder heeft de intrekking van de verblijfsvergunning en het terugkeerbesluit in bezwaar gehandhaafd.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vinden eiseres en verweerder in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiseres voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiseres geen verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 6, eerste lid, eerste gedachtestreepje, van het Besluit nr. 1/80<footnote-ref linkend="_2ec9828e-9af3-499e-8a64-b44804c8a661" />. Eiseres is van mening dat haar wisseling van werkgever in het eerste jaar van legale arbeid, niet aan haar kan worden tegengeworpen, omdat zij te goeder trouw ervan uitging dat de eerste werkgever haar legale arbeid aanbood. Ook handelt verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat verweerder in een vergelijkbaar geval wél in het voordeel van de vreemdeling heeft beslist. Ook vindt eiseres dat verweerder moet toetsen, of eiseres ten tijde van het intrekkingsbesluit in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning vanwege een zoekjaar op grond van artikel 3.31b van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Ten slotte heeft verweerder de hoorplicht in bezwaar geschonden.</para>
    <para />
    <para>3. Verweerder heeft gemotiveerd gereageerd op de beroepsgronden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk en overweegt daartoe als volgt:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Artikel 6 van het Besluit 1/80 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <parablock>
        <para>Verweerder heeft op pagina 2 en 3 van het bestreden besluit op juiste gronden en voldoende gemotiveerd uiteengezet, dat en waarom eiseres geen rechten kan ontlenen aan artikel 6, eerste lid, eerste gedachtestreepje, van het Besluit 1/80. Vaststaat dat eiseres ten tijde van de intrekking van haar verblijfsvergunning niet voldeed aan het vereiste van één jaar legale arbeid bij dezelfde werkgever. In hetgeen daarover in beroep door eiseres wordt aangevoerd, ziet de rechtbank geen reden om hierover anders te oordelen. De reden voor het wisselen van werkgever is niet van belang. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres vanaf 1 maart 2021, zijnde de datum waarop de relatie met referent feitelijk was verbroken, geen onbetwist verblijfsrecht meer had. De arbeid die eiseres na deze intrekkingsdatum heeft verricht, kan daarom niet meetellen bij de opbouw van rechten op grond van artikel 6 van het Besluit 1/80<footnote-ref linkend="_b1d47cd5-5442-4732-af44-fdec22a2c08d" />.</para>
        <para>Wat betreft het beroep op het gelijkheidsbeginsel oordeelt de rechtbank dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de zaak waarnaar zij verwijst een zodanig gelijk geval is, dat verweerder in de zaak van eiseres hetzelfde had moeten beslissen. Verweerder heeft hierover terecht opgemerkt dat in die andere zaak sprake was van een jaar legale arbeid per datum van de intrekking van de verblijfsvergunning. In het geval van eiseres was daarvan geen sprake. </para>
        <para>Deze beroepsgronden slagen daarom niet.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ambtshalve toetsing verblijfsvergunning “zoekjaar” </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de ambtshalve beoordeling door verweerder in deze intrekkingsprocedure niet zo ver gaat, dat verweerder ook had moeten bekijken, of eiseres op grond van artikel 3.31b van het Vb recht had op een verblijfsvergunning wegens een zogeheten “zoekjaar”. Daar had eiseres een aparte aanvraag voor moeten indienen. Overigens voldoet eiseres niet aan de voorwaarde van één jaar rechtmatig verblijf op basis van een verblijfsvergunning, direct voorafgaand aan de ontwrichting van het huwelijk (artikel 3.31b, aanhef en onder c. van het Vb). Dus zelfs als verweerder al gehouden was geweest tot het maken van een ambtshalve beoordeling van een verblijfsvergunning vanwege een zoekjaar, dan had deze toetsing niet tot een inwilliging kunnen leiden. Het standpunt van eiseres hierover volgt de rechtbank daarom niet.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Hoorplicht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Tot slot wordt het standpunt van eiseres, dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden, niet gevolgd door de rechtbank. Van het horen in bezwaar mag pas worden afgezien, als er van tevoren al redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is, dat de gronden van bezwaar niet tot een andere beslissing kunnen leiden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht vastgesteld dat hetgeen eiseres in bezwaar heeft aangevoerd, geen nieuwe informatie gaf ten opzichte van de zienswijze van eiseres. Gelet op de motivering van het primaire besluit, de gegeven zienswijze en de gronden van bezwaar, mocht verweerder daarom afzien van het horen van eiseres.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is de conclusie?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. Het beroep is ongegrond.</para>
      <para />
      <para>6. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van de vereiste connexiteit.<footnote-ref linkend="_89526d0d-f371-491e-8f26-9a1645d3cf1b" /></para>
      <para />
      <para>7. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Bent u het niet eens met deze uitspraak?</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. </para>
      <para />
      <para>Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening is geen hoger beroep of verzet mogelijk. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_2ec9828e-9af3-499e-8a64-b44804c8a661" label="1">
    <para> Besluit 1/80, betreffende de ontwikkeling van de Associatie van 19 september 1980, behorende bij het Associatieverdrag tussen Turkije en de EU/EER (hierna: Besluit 1/80).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b1d47cd5-5442-4732-af44-fdec22a2c08d" label="2">
    <para> Zie ook pagina 9 van de Werkinstructie 2022/18 van de Immigratie- en Naturalisatiedienst.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_89526d0d-f371-491e-8f26-9a1645d3cf1b" label="3">
    <para> Op grond van artikel 8:81 en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>