<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:14990</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-27T12:25:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBNHO:2022:12119</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-12-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.4342</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:14990">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:14990</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-27T10:04:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:14990 Rechtbank Den Haag , 14-12-2022 / NL22.4342</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:14990:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>MVV - verblijf bij partner, middelenvereiste</para>
        <para>Verweerder heeft niet ten onrechte geoordeeld dat referent niet voldoet aan het middelenvereiste in de zin van artikel 3.22, eerste lid, van het Vb. Het betrekken van de afdracht van premies en belastingen bij de beoordeling van de inkomsten voor het middelenvereiste is geen extra eis die in strijd is met artikel 7 van de Gezinsherenigingsrichtlijn of de door eiseres genoemde arresten van het Hof van Justitie. </para>
        <para>Het beroep is ongegrond.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:14990:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL22.4342</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , eiseres</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [v-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M.F. Aly).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 20 december 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel 'Verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] ' afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 16 februari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres hiertegen ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 26 oktober 2022 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De achtergrond van het geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiseres is geboren op [datum 1] 1992 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Referent is [referent] , geboren op [datum 2] 1972 en is de gestelde echtgenoot van eiseres. Hij heeft ook de Afghaanse nationaliteit. Referent heeft bij de aanvraag gegevens overgelegd over zijn inkomen uit zijn eigen bedrijf en uit arbeid in loondienst bij zijn werkgever ‘ [werkgever] ’.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Verweerders besluit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat referent niet voldoet aan het middelenvereiste zoals dat is opgenomen in artikel 3.22, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Het inkomen van referent is niet zelfstandig, voldoende en duurzaam. Verweerder acht namelijk het inkomen van referent als zelfstandige onvoldoende. En beide inkomstenbronnen, namelijk arbeid als zelfstandige en arbeid in loondienst, acht verweerder niet zelfstandig omdat de verschuldigde premies en belastingen niet zijn afgedragen. Ook valt referent niet onder één van de gronden voor vrijstelling van het middelenvereiste. De belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM valt ook in het nadeel van eiseres uit.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De beroepsgronden</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte de belastingverplichtingen bij de beoordeling van de inkomenseis uit artikel 7 van de Gezinsherenigingsrichtlijn<footnote-ref linkend="_8505ed5f-9a11-4b70-b91e-eef6a213c2f6" /> betrekt. Uit de Gezinsherenigingsrichtlijn volgt niet dat alleen kan worden uitgegaan van inkomsten waarover premies en belastingen zijn afgedragen. Een belastingverplichting heeft geen invloed op de beoordeling van de stabiliteit van het inkomen; voor de beoordeling van die stabiliteit moet worden bezien of het aannemelijk is dat ook in de toekomst het inkomen nog beschikbaar zal zijn. Ook is de nationaalrechtelijke inkomenseis in de beoordeling van de zelfstandigheid ten onrechte strikter dan de Gezinsherenigingsrichtlijn, waardoor deze onverbindend moet worden verklaard.</para>
    <para>Verder voert eiseres aan dat referent met de boekhouder een betalingsregeling heeft getroffen om zijn schulden weg te werken. Niet blijkt dat referent de afspraken met de belastingdienst niet zal nakomen, waardoor de schuld niet van invloed kan zijn op het toekomstig inkomen. Tot slot voert eiseres aan dat de hoorplicht is geschonden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte heeft geoordeeld dat referent niet voldoet aan het middelenvereiste in de zin van artikel 3.22, eerste lid, van het Vb. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef onder c, van de Gezinsherenigingsrichtlijn kan de betrokken lidstaat bij de indiening van het verzoek tot gezinshereniging de persoon die het verzoek heeft ingediend, verzoeken het bewijs te leveren dat de gezinshereniger beschikt over stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om hemzelf en zijn gezinsleden te onderhouden, zonder een beroep te doen op het stelsel voor sociale bijstand van de betrokken lidstaat. De lidstaten beoordelen daartoe de aard en de regelmaat van deze inkomsten en kunnen rekening houden met de nationale minimumlonen en pensioenen, evenals met het aantal gezinsleden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Deze bepaling is geïmplementeerd in artikel 3.73, eerste lid, aanhef en onder a en b, van het Vb op grond waarvan de in artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet bedoelde middelen van bestaan in ieder geval zelfstandig zijn, indien verworven uit:</para>
      <para>a. wettelijk toegestane arbeid in loondienst, voor zover de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen;</para>
      <para>b. wettelijk toegestane arbeid als zelfstandige, voor zover de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank overweegt dat het betrekken van de afdracht van premies en belastingen bij de beoordeling van de inkomsten voor het middelenvereiste geen extra eis is die in strijd is met artikel 7 van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Dit geldt zowel voor inkomsten verworven in loondienst als voor inkomsten verworven als zelfstandige. Over inkomsten waarover de krachtens nationaal recht verschuldigde premies en belastingen nog niet zijn afgedragen, zijn die premies en belastingen in de toekomst immers nog verschuldigd terwijl de hoogte van de verschuldigde bedragen op dat moment nog niet duidelijk is. Dat betekent dat de stabiliteit en hoogte van die inkomsten op dat moment nog niet kan worden beoordeeld. Nu verweerder op grond van artikel 7 van de Gezinsherenigingsrichtlijn de gezinshereniger kan vragen om bewijs van, kort gezegd, stabiele inkomsten die voldoende zijn voor het levensonderhoud, kan hij daarbij de voorwaarde betrekken dat de wettelijk verplichte afdracht van premies en belastingen heeft plaatsgevonden. De stelling van eiseres ter zitting dat ook bijvoorbeeld zwart inkomen in aanmerking moet worden genomen bij dat middelenvereiste volgt de rechtbank dus niet.</para>
        <para>Het betrekken van de afdracht van premies en belastingen bij de beoordeling van de inkomsten is naar het oordeel van de rechtbank, anders dan eiseres heeft betoogd, ook niet in strijd met de door haar genoemde arresten van het Hof van Justitie.<footnote-ref linkend="_b59acae1-3e1f-43dd-989b-1a4cd8e01383" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>Ten aanzien van de inkomsten van referent uit zijn arbeid als zelfstandige heeft verweerder gesteld dat er een forse belastingschuld is. Volgens verweerder gaat het om niet betaalde inkomstenbelasting over de periode 2014-2020 en omzetbelasting over de periode 2019-2021. Dit heeft eiseres niet weersproken. De inkomsten van referent uit zijn arbeid als zelfstandige heeft verweerder daarom kunnen aanmerken als niet-zelfstandige inkomsten en verweerder heeft deze inkomsten niet mee hoeven nemen bij de toetsing aan het middelenvereiste.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>Verweerder heeft de inkomsten van referent uit zijn arbeid in loondienst ook niet zelfstandig geacht, omdat niet is gebleken dat er premies en belastingen zijn afgedragen door de werkgever van referent. Toen verweerder het bestreden besluit nam had referent niet onderbouwd dat deze premies en belastingen daadwerkelijk zijn afgedragen. Daarom heeft verweerder ook deze inkomsten niet mee hoeven nemen in zijn beoordeling of referent voldoet aan het middelenvereiste.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <para>De gronden van het bezwaar van eiseres bestonden ook uit het - juridische - betoog dat verweerder een eis stelt aan het inkomen van referent die in strijd is met de Gezinsherenigingsrichtlijn. Hierover heeft verweerder eiseres niet hoeven horen tijdens de bezwaarprocedure, nu over dit betoog geen onduidelijkheden bestonden. Eiseres heeft in bezwaar overigens ook niet verklaard gehoord te willen worden. Onduidelijkheden over feiten en omstandigheden waren er niet in bezwaar, net zo min als in beroep, dat heeft eiseres ook niet gesteld. Eiseres heeft wel gesteld, zo begrijpt de rechtbank, dat verweerder in het bestreden besluit nieuwe argumenten heeft gebruikt, maar zij heeft niet benoemd wat die nieuwe argumenten zijn. Verweerder heeft eiseres overigens ook niet hoeven horen over de argumenten die hij ging gebruiken om het juridische betoog van eiseres in bezwaar te weerleggen. De conclusie is dat verweerder met toepassing van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht heeft kunnen afzien van horen in de bezwaarprocedure.</para>
      <para />
      <para>5. Referent heeft ter zitting nog opgemerkt dat het paspoort van eiseres over acht maanden afloopt en dat het praktisch onmogelijk wordt voor haar om een nieuw paspoort in Afghanistan te krijgen. Ook heeft referent erop gewezen dat eiseres problemen in haar land heeft vanwege het feit dat zij getrouwd is met een man die in Nederland woont. De rechtbank overweegt dat deze omstandigheden echter niet kunnen leiden tot de beslissing dat verweerder hierom de gevraagde mvv behoort te verlenen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>6. Het beroep is ongegrond.</para>
      <para />
      <para>7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, rechter, in aanwezigheid van mr. N.F. van der Gouw, griffier.</para>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_8505ed5f-9a11-4b70-b91e-eef6a213c2f6" label="1">
    <para> Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b59acae1-3e1f-43dd-989b-1a4cd8e01383" label="2">
    <para> Arresten van het Hof van Justitie van 21 april 2016, Khachab, ECLI:EU:C:2016:285, en 3 oktober 2019, X tegen Belgische Staat, ECLI:EU:C:2019:830.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>