<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:14872</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-24T16:00:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.3581</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:14872">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:14872</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-24T15:59:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:14872 Rechtbank Den Haag , 08-04-2022 / NL22.3581</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:14872:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Spoedvovo / overdracht Denemarken / verlenging overdrachtstermijn / belangenafweging valt in het voordeel uit van verzoeker / toewijzing van het verzoek / verweerder mag verzoeker niet overdragen tot de rechtbank op het beroep heeft beslist.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:14872:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para>
      <?linebreak?>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL22.3581</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [verzoeker], verzoeker,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>v-nummer: [v-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. I.E. Lemmers).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 4 februari 2022 (de brief) heeft verweerder aan Denemarken medegedeeld dat de overdrachtstermijn is verlengd tot een periode van 18 maanden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft tegen deze brief beroep (NL22.3580) ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Spoedeisend belang</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.</para>
    <para />
    <para>2. De voorzieningenrechter kan uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op zitting te verschijnen, indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad.<footnote-ref linkend="_fb94e4f4-f4ef-4612-bde1-3c3fe8c08d9e" /></para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Na kennisneming van het dossier en gelet op het feit dat de overdracht van verzoeker aan Denemarken gepland staat voor 11 april 2022, om 9:40 uur, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>3. Verzoeker stelt geboren te zijn op [geboortedag] 1992 en in het bezit te zijn van de Syrische nationaliteit. Zijn asielaanvraag is door verweerder niet in behandeling genomen, omdat Denemarken verantwoordelijk is.<footnote-ref linkend="_bb4f96cf-83b3-4205-9f36-0cc948d38773" /> Dit staat in rechte vast. </para>
      <para />
      <para>4. Bij brief van 4 februari 2022 heeft verweerder de Deense autoriteiten gemeld dat de overdracht van verzoeker niet kan plaatsvinden binnen de gestelde termijn van zes maanden, omdat verzoeker is ondergedoken. Verweerder heeft met deze brief de termijn verlengd tot een periode van in totaal 18 maanden.<footnote-ref linkend="_374fa56d-ad0b-40ef-8725-6e9c92f6c76c" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat zijn de standpunten van partijen?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>5. Verzoeker stelt dat verweerder hem niet kan overdragen aan Denemarken, omdat de overdrachtstermijn is verstreken. Hij stelt dat verweerder de overdrachtstermijn onterecht heeft verlengd, omdat hij niet was ondergedoken. Verweerder dient zijn asielaanvraag in behandeling te nemen.</para>
      <para />
      <para>6. Verweerder stelt primair dat de brief van 4 februari 2022 geen besluit is waartegen verzoeker een rechtsmiddel kan instellen. Subsidiair stelt verweerder dat in het geval er wel sprake is van een besluit, verzoeker is ondergedoken en de overdrachtstermijn terecht is verlengd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>7. Partijen zijn verdeeld over de juridische grondslag en kwalificaties van dit geval. De voorzieningenrechter is van oordeel dat voor de beoordeling van deze geschilpunten deze voorlopige voorziening zich niet leent en dat er beperkte tijd is om deze voorziening te beoordelen. Daarom beperkt de voorzieningenrechter zich tot een belangenafweging.</para>
      <para />
      <para>8. De voorzieningenrechter stelt vast dat een afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening betekent dat verzoeker wordt overgedragen aan Denemarken, terwijl niet is uit te sluiten dat de overdrachtstermijn is verlopen. In dat geval zou de geplande overdracht onterecht zijn. Met de toewijzing van het verzoek zou de geplande overdracht geannuleerd moeten worden, wat achteraf gezien misschien onterecht zou kunnen zijn. In het verlengde van dit laatste is echter relevant dat verweerder met de brief van 4 februari 2022 stelt dat de overdrachtstermijn is verlengd tot een periode van in totaal 18 maanden. Dit betekent dat als verweerders standpunt juist is, hij nog voldoende tijd heeft om de overdracht van verzoeker aan Denemarken te realiseren. Toewijzing van de voorlopige voorziening brengt dus geen verandering in de situatie van verweerder, terwijl afwijzing van de voorlopige voorziening mogelijk tot gevolg heeft dat verzoeker onterecht wordt overgedragen aan Denemarken. De voorzieningenrechter kent daarom doorslaggevend gewicht toe aan de belangen van verzoeker.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is de conclusie?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verzoeker niet aan de Deense autoriteiten wordt overgedragen totdat op het beroep is beslist. </para>
      <para />
      <para>10. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker heeft gemaakt.<footnote-ref linkend="_b731ad66-839a-45d9-b4f6-34fe7689c02a" /> De voorzieningenrechter stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 759,- (1 punt voor het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;</para>
    <para />
    <para>- verbiedt verweerder verzoeker over te dragen aan Denemarken totdat op het beroep is beslist;</para>
    <para />
    <para>- veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 759,-. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroes, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is op 8 april 2022 aan partijen telefonisch medegedeeld. De uitspraak is verder bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_fb94e4f4-f4ef-4612-bde1-3c3fe8c08d9e" label="1">
    <para> Zie artikel 8:83, vierde lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bb4f96cf-83b3-4205-9f36-0cc948d38773" label="2">
    <para> Zie artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (de Vw 2000).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_374fa56d-ad0b-40ef-8725-6e9c92f6c76c" label="3">
    <para> Zie artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b731ad66-839a-45d9-b4f6-34fe7689c02a" label="4">
    <para> Zie artikel 8:84, vijfde lid, en artikel 8:75, eerste lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>