<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:14553</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-09T09:52:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.2689-02</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:14553">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:14553</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-09T09:50:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:14553 Rechtbank Den Haag , 22-04-2022 / NL22.2689-02</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:14553:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>beroep niet tijdig, verzet.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:14553:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL22.2689 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam], opposant</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposant heeft op 17 februari 2022 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 22 april 2022 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan voor zover het de vaststelling van de bestuurlijke dwangsom betreft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank doet op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Awb biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep gegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat verweerder heeft nagelaten binnen de wettelijk vastgestelde beslistermijn een besluit op de asielaanvraag van opposant te nemen. Gelet op de Tijdelijke  wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet) zoals deze luidt sinds 11 juli 2021 achtte de rechtbank zich niet bevoegd om aan de uitspraak een dwangsom te verbinden.</para>
    <para />
    <para>2. In dit geding kan in beginsel uitsluitend worden beoordeeld of de rechtbank terecht tot vereenvoudigde behandeling van het beroep is overgegaan.</para>
    <para />
    <para>3. In verzet voert opposant aan dat de rechtbank zich ten onrechte niet heeft uitgelaten over de gevraagde bestuurlijke dwangsom. Hij verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 22 april 2022.<footnote-ref linkend="_2af16eb9-0edd-4ba8-90de-da10dcea17f8" /></para>
    <para />
    <para>4. In voornoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, is geconcludeerd tot de onverbindendheid van artikel 1 van de Tijdelijke wet, voor zover daarbij de toepassing van de artikelen 4:17 tot en met 4:19 en artikel 8:55c van de Awb is uitgesloten voor besluiten op asielaanvragen. Daartoe is overwogen dat bedoelde uitsluiting in strijd is met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel, omdat de voor de behandeling van asielaanvragen geldende procedureregels door deze uitsluiting ongunstiger zijn dan die voor soortgelijke (nationaalrechtelijke) procedures.</para>
    <para />
    <para>5. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van <?linebreak?>30 november 2022<footnote-ref linkend="_6c21dfd7-d8d8-4158-8b01-6e85174c8741" /> geoordeeld dat soortgelijke nationaalrechtelijke procedures zich niet voordoen en dat artikel 1 van de Tijdelijke wet, voor zover dat uitsluit dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een dwangsom verbeurt indien hij na ingebrekestelling niet tijdig een besluit neemt op een asielaanvraag, niet in strijd is met het Unierechtelijk gelijkwaardigheidsbeginsel. </para>
    <para />
    <para>6. Nu artikel 1 van de Tijdelijke wet in dit geval de mogelijkheid van een bestuurlijke dwangsom uitsluit, ziet de rechtbank in wat opposant heeft aangevoerd geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 22 april 2022. Het verzet is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_2af16eb9-0edd-4ba8-90de-da10dcea17f8" label="1">
    <para>ECLI:NL:RBDHA:2022:3776,</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6c21dfd7-d8d8-4158-8b01-6e85174c8741" label="2">
    <para> ECLI:NL:RVS:2022:3352</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>