<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:14522</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-10T09:00:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-12-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.6478 en NL22.6479</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:14522">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:14522</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-09T13:35:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:14522 Rechtbank Den Haag , 15-12-2022 / NL22.6478 en NL22.6479</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:14522:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>NTB - samenhangende beroepen - Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND  - post ABRvS 30-11-2022 -  NTB kennelijk n-o, want bob geslagen - geen procesbelang - beroep kennelijk ogg, want bestuurlijke dwangsom niet i.s.m. Unierecht - 0,5 pkv toegekend.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:14522:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: NL22.6478 en NL22.6479</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] en [eiseres] , mede namens haar minderjarige kinderen, eisers</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummers: [v-nummer 1] en [v-nummer 2]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. S. Thelosen),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.</bridgehead>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 13 april 2022 hebben eisers beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van besluiten door verweerder op hun asielaanvragen<footnote-ref linkend="_4f7e364f-c8f2-4eca-997d-888c037473fa" /> van 27 september 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluiten van 11 juli 2022 (de besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers ingewilligd en aan hen verblijfsvergunningen asiel verleend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 12 juli 2022 hebben eisers gereageerd op deze besluiten en het beroep gehandhaafd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van de wet in deze zaak niet nodig is.<footnote-ref linkend="_f2aa2436-6ce3-40c2-ad7d-22aa0e7423bb" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op zijn aanvraag, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag (de ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.<footnote-ref linkend="_a181e05d-e474-4100-b296-29e86848f77c" /></para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank stelt vast dat in beide zaken de wettelijke beslistermijn op 27 maart 2022 is verstreken en dat eisers bij fax van 29 maart 2022, ontvangen door verweerder op dezelfde dag, hebben medegedeeld dat verweerder in gebreke is om tijdig besluiten te nemen op hun aanvragen. Hierna zijn meer dan twee weken verstreken voordat eisers op 13 april 2022 beroep hebben ingesteld.</para>
    <para>4. De rechtbank stelt ook vast dat verweerder bij de besluiten alsnog op de aanvragen van eisers heeft beslist. Volgens vaste rechtspraak betekent dit dat eisers geen belang meer hebben bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van de besluiten.<footnote-ref linkend="_4ba344e8-efea-4bc8-bb82-42031d40425d" /> De rechtbank verklaart het beroep voor zover dat gericht is tegen het niet tijdig beslissen daarom kennelijk niet-ontvankelijk.</para>
    <para />
    <para>5. Aangezien de wettelijke beslistermijn is overschreden en verweerder pas na overschrijding van deze termijn besluiten heeft genomen, veroordeelt de rechtbank verweerder in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 379,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- met een wegingsfactor 0,5).<footnote-ref linkend="_b57ace65-ef51-4906-b479-1f10fca6dec8" /> De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Nu gemachtigde één beroepschrift heeft ingediend namens eisers zal de rechtbank ook slechts eenmaal proceskostenvergoeding aanbieden. Omdat aan eisers een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het beroep gericht tegen de alsnog genomen besluiten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Tenzij geheel aan het beroep tegemoetgekomen wordt, heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van besluiten mede betrekking op de alsnog genomen besluiten.<footnote-ref linkend="_c14845e8-dee8-4113-8010-a811eea3f9de" /> De rechtbank overweegt dat verweerder niet volledig aan het beroep van eisers tegemoet is gekomen. Eisers zijn het er namelijk niet mee eens dat verweerder aan hen geen bestuurlijke dwangsommen heeft uitgekeerd. Het beroep richt zich daarom mede tegen de besluiten.</para>
    <para />
    <para>7. In de besluiten heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij, gelet op de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (de Tijdelijke wet), geen dwangsom verschuldigd is.</para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank overweegt dat in de Tijdelijke wet - zoals deze geldt vanaf 11 juli 2021 - is neergelegd dat de artikelen 4:17 tot en met 4:19 van de Awb niet van toepassing zijn op besluiten op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.<footnote-ref linkend="_c40cc00e-adff-4d2a-8f5b-81da46b67d6f" /> Op 30 november 2022 heeft de hoogste bestuursrechter geoordeeld dat de Tijdelijke wet - voor zover daarin is uitgesloten dat verweerder een dwangsom verbeurt indien hij na een ingebrekestelling niet tijdig een besluit neemt op een asielaanvraag - niet in strijd is met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel, het Unierechtelijke beginsel van effectieve rechtsbescherming en het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel.<footnote-ref linkend="_952681c0-2f96-491f-8179-5b5f7932d71c" /> Dit betekent dat verweerder in de besluiten terecht heeft vastgesteld dat hij geen bestuurlijke dwangsommen aan eisers heeft verbeurd.</para>
    <para />
    <para>9. De rechtbank verklaart het beroep voor zover het gericht is tegen de alsnog genomen besluiten kennelijk ongegrond.</para>
    <bridgehead role="bold">Beslissing</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep voor zover het gericht is tegen het niet tijdig nemen van de besluiten op de asielaanvragen van eisers niet-ontvankelijk;</para>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep voor zover het gericht is tegen de besluiten van 11 juli 2022 ongegrond;</para>
    <para />
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 379,50.</para>
    <para>
      <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr.M.J.J. Roks, griffier.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Bent u het niet eens met deze uitspraak?</emphasis>
      </para>
      <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. </para>
      <para />
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_4f7e364f-c8f2-4eca-997d-888c037473fa" label="1">
    <para> Aanvragen als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f2aa2436-6ce3-40c2-ad7d-22aa0e7423bb" label="2">
    <para> Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a181e05d-e474-4100-b296-29e86848f77c" label="3">
    <para> Zie de artikelen 6:2, aanhef en onder b, van de Awb en 6:12, eerste en tweede lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4ba344e8-efea-4bc8-bb82-42031d40425d" label="4">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3348).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b57ace65-ef51-4906-b479-1f10fca6dec8" label="5">
    <para> Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c14845e8-dee8-4113-8010-a811eea3f9de" label="6">
    <para> Artikel 6:20, derde lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c40cc00e-adff-4d2a-8f5b-81da46b67d6f" label="7">
    <para> Artikel 1 van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Stb. 2020, 242).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_952681c0-2f96-491f-8179-5b5f7932d71c" label="8">
    <para> Uitspraak van de Afdeling van 30 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3352).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>