<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:14519</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-10T09:00:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-12-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.6890</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:14519">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:14519</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-09T12:59:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:14519 Rechtbank Den Haag , 15-12-2022 / NL22.6890</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:14519:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>NTB, omgeklapt naar beroep - Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND  - post ABRvS 30-11-2022 -  NTB kennelijk n-o, want bob geslagen - geen procesbelang - beroep kennelijk ogg, want bestuurlijke dwangsom niet i.s.m. Unierecht - 0,5 pkv toegekend.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:14519:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL22.6890</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [v-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. E. Arslan),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.</bridgehead>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 20 april 2022 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op zijn asielaanvraag<footnote-ref linkend="_1985b039-87bf-4afa-8a75-ad0053e9ee55" /> van 16 september 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 1 juni 2022  een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 28 juni 2022 (het besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser ingewilligd en aan hem een verblijfsvergunning asiel verleend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 12 juli 2022 heeft eiser gereageerd op het besluit en het beroep gehandhaafd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van de wet in deze zaak niet nodig is.<footnote-ref linkend="_fad4c725-833a-48f7-99ae-6be76b291287" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op zijn aanvraag, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag (de ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.<footnote-ref linkend="_a139d63d-3a07-4e8f-9544-5187e6b09330" /></para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 16 maart 2022 is verstreken en dat eiser verweerder bij fax van 1 april 2022, ontvangen door verweerder op 2 april 2022, heeft medegedeeld dat verweerder in gebreke is tijdig een besluit te nemen. Hierna zijn meer dan twee weken verstreken voordat eiser op 20 april 2022 beroep heeft ingesteld.</para>
    <para>4. De rechtbank stelt ook vast dat verweerder bij het besluit alsnog op de aanvraag van eiser heeft beslist. Volgens vaste rechtspraak betekent dit dat eiser geen belang meer heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.<footnote-ref linkend="_5157bbd1-ad25-45e8-8f98-fd3d3fea4b08" /> De rechtbank verklaart het beroep voor zover dat gericht is tegen het niet tijdig beslissen daarom kennelijk niet-ontvankelijk.</para>
    <para />
    <para>5. Aangezien de wettelijke beslistermijn is overschreden en verweerder pas na overschrijding van deze termijn een besluit heeft genomen, veroordeelt de rechtbank verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 379,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- met een wegingsfactor 0,5).<footnote-ref linkend="_645b772e-af3a-454d-a0b6-4abf01426f38" /> De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het beroep gericht tegen het alsnog genomen besluit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Tenzij geheel aan het beroep tegemoetgekomen wordt, heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit.<footnote-ref linkend="_c6bc4e72-9ebc-481a-a06d-af4f06f5b332" /> De rechtbank overweegt dat verweerder niet volledig aan het beroep van eiser tegemoet is gekomen. Eiser is het er namelijk niet mee eens dat verweerder aan hem geen bestuurlijke dwangsom heeft uitgekeerd. Het beroep richt zich daarom mede tegen het besluit.</para>
    <para />
    <para>7. In het besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij, gelet op de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (de Tijdelijke wet), geen dwangsom verschuldigd is.</para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank overweegt dat in de Tijdelijke wet - zoals deze geldt vanaf 11 juli 2021 - is neergelegd dat de artikelen 4:17 tot en met 4:19 van de Awb niet van toepassing zijn op beschikkingen op aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.<footnote-ref linkend="_a96cc476-46c2-44cc-b492-383ae85e465d" /> Op 30 november 2022 heeft de hoogste bestuursrechter geoordeeld dat de Tijdelijke wet, voor zover daarin is uitgesloten dat verweerder een dwangsom verbeurt indien hij na een ingebrekestelling niet tijdig een besluit neemt op een asielaanvraag niet in strijd is met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel, het Unierechtelijke beginsel van effectieve rechtsbescherming en het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel.<footnote-ref linkend="_85990cdb-06b2-421f-a230-d099734494c2" /> Dit betekent dat verweerder in het besluit terecht heeft vastgesteld dat hij geen bestuurlijke dwangsom aan eiser/eiseres heeft verbeurd.</para>
    <para />
    <para>9. De rechtbank verklaart het beroep voor zover het gericht is tegen het alsnog genomen besluit kennelijk ongegrond.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- verklaart het beroep voor zover het gericht is tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- verklaart het beroep voor zover het gericht is tegen het besluit van 28 juni 2022 ongegrond;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 379,50.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Bent u het niet eens met deze uitspraak?</emphasis>
      </para>
      <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. </para>
      <para />
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_1985b039-87bf-4afa-8a75-ad0053e9ee55" label="1">
    <para> Een aanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fad4c725-833a-48f7-99ae-6be76b291287" label="2">
    <para> Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a139d63d-3a07-4e8f-9544-5187e6b09330" label="3">
    <para> Zie de artikelen 6:2, aanhef en onder b, van de Awb en 6:12, eerste en tweede lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5157bbd1-ad25-45e8-8f98-fd3d3fea4b08" label="4">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3348).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_645b772e-af3a-454d-a0b6-4abf01426f38" label="5">
    <para> Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht 2022.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c6bc4e72-9ebc-481a-a06d-af4f06f5b332" label="6">
    <para> Zie artikel 6:20, derde lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a96cc476-46c2-44cc-b492-383ae85e465d" label="7">
    <para> Zie artikel 1 van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Stb. 2020, 242).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_85990cdb-06b2-421f-a230-d099734494c2" label="8">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3352).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>