<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:14517</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-10T09:00:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-11-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">SGR 22/3731</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:14517">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:14517</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-09T12:40:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:14517 Rechtbank Den Haag , 23-11-2022 / SGR 22/3731</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:14517:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>aanvraag toevoeging RvR afgewezen - verjaringstermijn - per instantie declareren - werkinstructie bij art. 28 Bvr geen onredelijk beleid.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:14517:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR 22/3731 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 november 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J.J. van Vlerken).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 9 maart 2022 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag voor vergoeding rechtsbijstandskosten van eiser vanwege verjaring afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 24 mei 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep (SGR 22/3731) ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Omdat geen van de partijen - nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord - binnen de gestelde termijn heeft verklaard dat zij gebruik willen maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiser heeft in de uitoefening van zijn beroep als advocaat een strafzaak op toevoeging behandeld. Deze strafzaak is in eerste aanleg geëindigd met een vonnis<footnote-ref linkend="_ed12f3f1-d0ca-4b95-8fc5-aa322e9243fd" /> van deze rechtbank van 28 maart 2014. Het hoger beroep in deze strafzaak is geëindigd met het arrest<footnote-ref linkend="_31e16284-ba4f-4275-82a4-0cd9752f61ae" /> van het Gerechtshof Den Haag van 26 januari 2022. Eiser heeft wegens extra werkzaamheden in deze strafzaak vergoeding van extra uren aangevraagd.</para>
    <para>2. <?linebreak?>Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat de toevoeging is verstrekt voor de verlening van rechtsbijstand in de behandeling in eerste aanleg die is geëindigd in 2014. Verweerder stelt dat de verjaringstermijn daarom startte op 31 december 2014 en eindigde op 1 januari 2020. Dat de feitelijke behandeling van het hoger beroep door eiser pas zou zijn geëindigd in januari 2022 maakt niet dat de toepassing van het beleid in dit geval onevenredig is of zou dwingen om de hardheidsclausule toe te passen. Verweerder heeft dit standpunt in bezwaar gehandhaafd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat zijn de relevante regels?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Op grond van artikel 32 van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb)<footnote-ref linkend="_f5b74b8e-84f3-4331-a1c4-7d4a78c1278a" />, artikel 28, eerste lid van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr 2000)<footnote-ref linkend="_a2fc2a8c-e43d-4776-a58f-8555078ee6e5" /> en de bijbehorende werkinstructies<footnote-ref linkend="_4c4757d7-40c6-4d90-b0dd-a7106141bc49" /> voert verweerder het beleid dat de aanspraak op vergoeding van rechtsbijstandskosten verjaart wanneer de rechtsbijstand tenminste vijf jaar voor de ontvangstdatum van het verzoek om vergoeding is beëindigd. De periode van vijf jaar begint op 31 december van het jaar waarin de rechtsbijstand werd beëindigd en de vergoeding wordt enkel toegekend voor de procedure in één instantie.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. <?linebreak?>De rechtbank verwerpt eisers standpunt dat uit de werkinstructie bij artikel 28 van het Bvr 2000 volgt dat de verjaringstermijn gaat lopen vanaf de datum waarop de rechtsbijstand feitelijk is beëindigd, in dit geval het arrest van het Gerechtshof van 26 januari 2022. Verweerder heeft de toevoeging op 1 augustus 2013 verleend “ter zake van misdrijven, eerste aanleg meervoudig” en geen toevoeging voor rechtsbijstand tot in andere procesfasen. Met het strafvonnis van deze rechtbank van 28 maart 2014 heeft de verjaringstermijn dus een aanvang genomen en is geëindigd op 1 januari 2020. Voor het hoger beroep in deze strafzaak is bovendien een afzonderlijke toevoeging aan eiser verstrekt. De beroepsgrond slaagt niet.<?linebreak?></para>
    <para>6. De hoogste bestuursrechter<footnote-ref linkend="_92da2a9f-fd77-413e-92b1-e851ce1dd82f" /> heeft daarnaast overwogen dat het beleid van verweerder niet onredelijk is, nu dit beleid ertoe leidt dat een redelijk overzicht wordt behouden op de besteding van publieke middelen. Het feit dat eiser normaal aan het eind van een zaak declareert, maar dat het nu niet is gebeurd, hoefde naar het oordeel van de rechtbank voor verweerder geen aanleiding te zijn om af te wijken van het gestelde beleid. De gevolgen van dergelijke keuzes dienen voor eigen rekening en risico van eiser te komen. Verweerder heeft op de goede gronden de verjaring aan eiser kunnen tegenwerpen. </para>
    <para>De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is de conclusie?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>8. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 november 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
  </section>
  <footnote id="_ed12f3f1-d0ca-4b95-8fc5-aa322e9243fd" label="1">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2014:4908.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_31e16284-ba4f-4275-82a4-0cd9752f61ae" label="2">
    <para> ECLI:NL:GHDHA:2022:92.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f5b74b8e-84f3-4331-a1c4-7d4a78c1278a" label="3">
    <para> Artikel 32 Wrb luidt: “<emphasis role="italic">De toevoeging geldt uitsluitend voor het rechtsbelang ter zake vaarvoor zij is verleend en, in het geval van een procedure, voor de behandeling daarvan in één instantie, de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak daaronder begrepen.”</emphasis></para>
  </footnote>
  <footnote id="_a2fc2a8c-e43d-4776-a58f-8555078ee6e5" label="4">
    <para>Artikel 28 Bvr 2000 luidt:<emphasis role="italic"> “Na beëindiging van de verlening van de rechtsbijstand dient de rechtsbijstandverlener bij het bestuur een aanvraag in tot vaststelling van de vergoeding voor de verrichte werkzaamheden.”</emphasis></para>
  </footnote>
  <footnote id="_4c4757d7-40c6-4d90-b0dd-a7106141bc49" label="5">
    <para> Zie de werkinstructie via de volgende link : <emphasis role="underline">Art. 28 Bvr Vaststelling van de vergoeding - rvr.org</emphasis></para>
  </footnote>
  <footnote id="_92da2a9f-fd77-413e-92b1-e851ce1dd82f" label="6">
    <para> Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1750.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>