<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:14412</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-18T17:11:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-12-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 21/6734 en AWB 21/1521</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:14412">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:14412</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-18T17:11:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:14412 Rechtbank Den Haag , 27-12-2022 / AWB 21/6734 en AWB 21/1521</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:14412:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>aanvraag verblijfsvergunning voor familie en gezin - mvv-vereiste - artikel 8 van het EVRM - hoorplicht geschonden - beroep gegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:14412:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: AWB 21/6734 (beroep) en AWB 21/1521 (voorlopige voorziening)</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 27 december 2022 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser en verzoeker] eiser/verzoeker (hierna: eiser)</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [v-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. H. Uzumcu),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. L.E. Beket).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het besluit van 11 februari 2021 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning met het doel ‘familie en gezin’ afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (AWB 21/1521).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 21 oktober 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (AWB 21/6734). Het eerdere verzoek om een voorlopige voorziening is aangemerkt als ingediend hangende het beroep<footnote-ref linkend="_c6cf45b2-9800-4e63-8694-dfb4e38e02fe" />.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 8 september 2022 een aanvullend besluit genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 8 december 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk (M. Ermek), de gemachtigde van verweerder en een oom van eiser. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1997 en heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft een aanvraag ingediend om te kunnen verblijven bij zijn moeder, [A] (referente), in Nederland. Ook zijn vader en broertje verblijven legaal in Nederland. </para>
    <para>2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser geen mvv<footnote-ref linkend="_59bcb610-0edf-4fe3-9910-b9305f159917" /> heeft en ook niet in aanmerking komt voor vrijstelling. Eiser heeft weliswaar aangegeven dat hij psychische klachten heeft, maar hij heeft dit niet met stukken onderbouwd. Daarnaast vindt verweerder geen strijd aanwezig met artikel 8 van het EVRM<footnote-ref linkend="_d0af36c5-068f-4260-9901-f15e892eb9c9" />. Eiser valt niet onder het jongvolwassenenbeleid en van gezinsleven is geen sprake, omdat er niet meer dan gebruikelijke afhankelijkheid is tussen hem en referente.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vinden partijen in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser vindt dat hij vrijgesteld moet worden van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van het EVRM. Hij valt onder het jongvolwassenenbeleid omdat hij altijd bij (een van) zijn ouders heeft gewoond. Subsidiair is wel sprake van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen hem en referente. Onvoldoende rekening is gehouden met zijn psychische klachten, zijn financiële en emotionele afhankelijkheid van zijn moeder en zijn (beperkte) band met Turkije. Hij kan zich niet zelfstandig handhaven in Turkije. Tot slot is de hoorplicht geschonden.</para>
    <para />
    <para>4. Verweerder handhaaft zijn standpunt dat de afwijzing van de aanvraag geen strijd oplevert met artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft een aanvullend besluit genomen in het licht van een uitspraak van de hoogste bestuursrechter<footnote-ref linkend="_09d0de9c-1a08-40f9-8561-6a519264d2bc" />. Verweerder neemt alsnog geen gezinsleven aan tussen eiser en referente, maar hij heeft aanvullend een belangenafweging gemaakt, die uitvalt in het nadeel van eiser.</para>
    <para />
    <para>5. Eiser is het niet eens met de aanvulling van het besluit. Verweerder stelt ten onrechte dat eiser onvoldoende stukken heeft ingediend en een onvoldoende toelichting heeft gegeven. Het lag op de weg van verweerder om eiser te horen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. De rechtbank is met eiser eens dat verweerder in dit geval niet heeft kunnen afzien van een hoorzitting in de bezwaarfase. Zoals de hoogste bestuursrechter recent heeft geoordeeld is het uitgangspunt dat een vreemdeling in bezwaar moet worden gehoord en dat dit uitgangspunt te meer geldt in zaken waarin er beslissingsruimte is, de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval en waarbij een individuele belangenafweging moet worden gemaakt. De hoogste bestuursrechter wijst daarbij expliciet op zaken waarin artikel 8 van het EVRM een rol speelt<footnote-ref linkend="_c281660c-2ff5-46ef-9061-5b2da8b7e377" />. De rechtbank stelt vast dat het hier om een dergelijke zaak gaat. </para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank is tot op zekere hoogte eens met verweerder dat eiser actiever stukken had kunnen overleggen om zijn aanvraag te onderbouwen, dat hij hier meerdere momenten de gelegenheid voor heeft gehad en dat hij actiever met verweerder had kunnen communiceren over zijn pogingen om de verzochte informatie boven tafel te krijgen. Ondanks die punten vindt de rechtbank toch dat verweerder in deze specifieke zaak een hoorzitting niet achterwege heeft kunnen laten. Hierbij is van belang dat eiser in het kader van eerdere procedures al veel stukken heeft overgelegd, hij expliciet heeft verzocht om een hoorzitting en hij heeft aangegeven welk belang hij daarbij heeft. Ook heeft verweerder in dit kader onvoldoende acht geslagen op de persoonlijke en bijzondere omstandigheden van eiser. Zo verblijven de ouders en het jongere broertje van eiser inmiddels met een verblijfsvergunning in Nederland en is niet gebleken dat eiser al zelfstandig heeft gewoond. Een hoorzitting had meer inzicht kunnen geven in deze persoonlijke omstandigheden van eiser. Dat inzicht is van belang voor een deugdelijke belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank benadrukt tot slot dat de omstandigheid dat op basis van de beschikbare informatie ten tijde van het besluit op bezwaar de aanvraag had moeten worden afgewezen, niet allesbepalend is voor de vraag of verweerder van horen in bezwaar mocht afzien<footnote-ref linkend="_f7c6eabb-ce42-46ca-8247-9adf4a81bb19" />. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is de conclusie?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep is gegrond. Dat wat eiser verder heeft aangevoerd behoeft geen bespreking. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Dat betekent dat verweerder eiser alsnog zal moeten horen. </para>
    <para />
    <para>9. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak wordt gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit<footnote-ref linkend="_c5a86397-b786-42f9-93b6-d16d1599066d" />.</para>
    <para />
    <para>10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser heeft gemaakt voor het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op een totaal van € 2.277,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).</para>
    <para />
    <para>11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht vergoedt.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt het bestreden besluit;</para>
    <para>- draagt verweerder op een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.518,-;</para>
    <para>- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eiser te vergoeden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 759,-;</para>
    <para>- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan verzoeker te vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>(voorzieningen)rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <parablock>
      <para>Een partij die het niet eens is met de uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
      <para>Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_c6cf45b2-9800-4e63-8694-dfb4e38e02fe" label="1">
    <para> Op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_59bcb610-0edf-4fe3-9910-b9305f159917" label="2">
    <para> Machtiging tot voorlopig verblijf.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d0af36c5-068f-4260-9901-f15e892eb9c9" label="3">
    <para> Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_09d0de9c-1a08-40f9-8561-6a519264d2bc" label="4">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c281660c-2ff5-46ef-9061-5b2da8b7e377" label="5">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f7c6eabb-ce42-46ca-8247-9adf4a81bb19" label="6">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c5a86397-b786-42f9-93b6-d16d1599066d" label="7">
    <para> Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>