<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:14296</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-05T12:11:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-11-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22_6517</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:14296">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:14296</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-05T12:11:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:14296 Rechtbank Den Haag , 07-11-2022 / 22_6517</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:14296:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Opschorting geldigheid rijbewijs tot uitslag onderzoek. Geen zeer uitzonderlijk geval. Vovo afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:14296:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank DEN Haag</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR  22/6517 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 november 2022 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. T. van Nimwegen),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: I. Metaal).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 27 september 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekster een onderzoek naar haar drugsgebruik opgelegd en is daarbij de geldigheid van haar rijbewijs geschorst. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek is op 7 november 2022 op zitting behandeld. Verzoekster was aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Zij was vergezeld van een vriendin. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.  </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Verzoekster is aangehouden<footnote-ref linkend="_eef28ba9-0bd4-4094-a3b4-3dd77f79a6ec" /> nadat een verbalisant in burger zag dat zij een ballon met daarin vloeistof innam. Verzoekster vertoonde onrustig gedrag en heeft later verklaard GHB  te hebben gebruikt. Bloedonderzoek wees uit dat er in haar bloed GHB (11 mg/L) in combinatie met alcohol 139 µg/L (= 0.320 ‰) zat. Dit overschrijdt de toegestane </para>
    <parablock>
      <para>grenswaarden die in combinatie respectievelijk 5,0 mg/L en 0.2 ‰ zijn.<footnote-ref linkend="_d2d0603b-ca3f-42ac-bc03-9b8a5ccc4fbb" />  Op grond hiervan </para>
      <para>heeft verweerder aan verzoeker medegedeeld dat zij zich dient te onderwerpen</para>
      <para>aan een onderzoek ter beoordeling van haar rijgeschiktheid<footnote-ref linkend="_4962c894-b771-4fa9-b3b5-e92a6cfecb0b" /> en dat de geldigheid van haar </para>
      <para>rijbewijs wordt opgeschort tot de uitslag van dit onderzoek bekend is.<footnote-ref linkend="_470563a9-aa1a-4709-bda8-8ef4487e7731" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het oordeel van de voorzieningenrechter </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De in dit geval toepasselijke bepalingen zijn van zogeheten dwingend recht. Deze bepalingen kunnen alleen buiten toepassing worden gelaten in zeer uitzonderlijke gevallen, als de gevolgen van de bepalingen onevenredig uitwerken.<footnote-ref linkend="_0e7fbffe-7b18-4816-935a-73130e489703" /></para>
    <para />
    <para>4. Verzoekster vindt dat de gevolgen van het besluit haar onevenredig hard treffen. Verzoekster heeft een eenmanszaak in de feestbranche en ondervindt groot financieel nadeel nu zij door de schorsing van de geldigheid van haar rijbewijs wordt gehinderd in het afleveren van zware feestartikelen door heel Nederland, waarvoor zij haar auto nodig heeft. Daarnaast is verzoekster een alleenstaande ouder van twee kinderen. Haar zoon lijdt aan eczeem waardoor het wenselijk is het kind op regenachtige dagen te vervoeren per auto. </para>
    <para />
    <para>5. De voorzieningenrechter begrijpt dat de gevolgen van het primaire besluit voor verzoekster groot zijn omdat zij nu geen auto kan rijden, maar is van oordeel deze omstandigheden onvoldoende uitzonderlijk zijn om de regelgeving buiten toepassing te laten.<footnote-ref linkend="_aa84c418-fa56-4f3c-8273-406fa6b27dec" /></para>
    <para />
    <para>6. Verzoekster heeft achter het stuur in het verkeer GHB gebruikt, waarvan algemeen bekend is dat dat van invloed kan zijn op de rijvaardigheid. Op zitting verklaarde verzoekster dat zij nog maar 50 meter verwijderd was van haar bestemming, maar dat zij het middel niet wilde innemen op de parkeerplaats, omdat dat onveilig zou zijn en mensen haar zouden kunnen zien. Niet valt in te zien dat zij dan wel op de weg het middel tot zich kon nemen, waarbij de verkeersveiligheid in het geding is. Dat het volgens verzoekster zou gaan om een kleine hoeveelheid GHB en dat de werking hiervan pas meetbaar zou zijn nadat verzoekster haar bestemming zou hebben bereikt leidt niet tot een ander oordeel. Dit valt ook niet te rijmen met de waarneming van de verbalisant dat verzoekster onrustig gedrag vertoonde.</para>
    <para />
    <para>7. Dat verzoekster nu onvoldoende actief kan zijn voor haar bedrijf en het onprettig is dat zij haar kinderen niet kan halen en brengen is afgezet tegen de verkeersveiligheid verder onvoldoende bijzonder om tot een voorlopige voorziening over te gaan. </para>
    <para />
    <para>8. Verzoekster heeft het onderzoek inmiddels ondergaan en heeft meegedeeld dat de psychiater heeft gezegd dat als de uitslagen goed zijn verweerder zal worden geadviseerd haar weer rijgeschikt te verklaren. Op zitting is besproken dat zodra de uitkomst van het psychiatrisch onderzoek bekend is, verweerder zo snel mogelijk zal overgaan tot het nemen van een beslissing. Als alles goed is krijgt zij haar rijbewijs terug.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.</para>
    <para />
    <para>10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.J.P. Bosman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.D.A. Mantingh, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.</para>
  </section>
  <footnote id="_eef28ba9-0bd4-4094-a3b4-3dd77f79a6ec" label="1">
    <para> Proces-verbaal aanhouding verdachte, van 25 augustus 2022, (PL1500-2022211737-3).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d2d0603b-ca3f-42ac-bc03-9b8a5ccc4fbb" label="2">
    <para> Artikel 3 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4962c894-b771-4fa9-b3b5-e92a6cfecb0b" label="3">
    <para> Artikel 131 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) en artikel 23 lid 1 en bijlage I, onder B, onderdeel III van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_470563a9-aa1a-4709-bda8-8ef4487e7731" label="4">
    <para> Artikel 131 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) en artikel 5 en 6 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_0e7fbffe-7b18-4816-935a-73130e489703" label="5">
    <para> Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), van <?linebreak?>9 februari 2022, (ECLI:NL:RVS:2022:415).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_aa84c418-fa56-4f3c-8273-406fa6b27dec" label="6">
    <para> Vergelijk de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), van 23 maart 2022, (ECLI:NL:RVS:2022:856). </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>