<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:14237</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-06T01:28:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-12-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/09/526980/ HA RK 17-74</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_insolventierecht">Civiel recht; Insolventierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002761&amp;artikel=209&amp;g=2003-01-01">Burgerlijk Wetboek Boek 4 209</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>ERF-Updates.nl 2023-0008</rdf:li>
          <rdf:li>JERF Actueel 2023/14</rdf:li>
          <rdf:li>JERF 2023/49</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:14237">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:14237</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-28T14:39:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:14237 Rechtbank Den Haag , 21-12-2022 / C/09/526980/ HA RK 17-74</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:14237:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>opheffing vereffening nalatenschap</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:14237:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
<inlinemediaobject><imageobject><imagedata align="center" depth="2" fileref="5176e4b0-e819-4916-91cc-6ae44a699b71" format="image/png" scale="100" width="13" /></imageobject></inlinemediaobject>
<inlinemediaobject><imageobject><imagedata align="center" depth="2" fileref="a86e3f81-a306-476b-9b90-11856795e3c7" format="image/png" scale="100" width="523" /></imageobject></inlinemediaobject>
Beschikking ex art. 4:209 BW
</para>
    <para>
<emphasis role="bold">
RECHTBANK
</emphasis>
<emphasis role="bold smallcaps">
DEN HAAG
</emphasis>
</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
Team Handel – enkelvoudige kamer
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
zaaknummer : C/09/526980/ HA RK [-01]
</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="bold">
Beschikking van 21 december 2022
</emphasis>
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
op het
<emphasis role="bold">
verzoek tot opheffing van de vereffening van de nalatenschap
</emphasis>
</para>
      <para>
van 29 september 2022 van
</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
<emphasis role="bold">
mr. S. van Wijk in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van
</emphasis>
</para>
      <para>
<emphasis role="bold">
[erflater01]
</emphasis>
,
</para>
      <para>
kantoor houdende te 2517 JR Den Haag, Johan de Wittlaan 15,
</para>
      <para>
verzoeker.
</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
<nr>
1
</nr>
Het ontstaan en verloop van de procedure
</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>
1.1.
</nr>
      <para>
Op [datum01] 2016 is [erflater01] (hierna: erflater), geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1948, in [plaats van overlijden01] overleden. Zijn laatste woonplaats was in [laatste woonplaats01] .
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
1.2.
</nr>
      <para>
Erflater is overleden met achterlating van vier afstammelingen, te weten: [naam01] , [naam02] , [naam03] en [naam04] .
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
1.3.
</nr>
      <para>
De erfgenamen hebben de nalatenschap aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving. Op 26 januari 2017 is de beneficiaire aanvaarding van de erfgenamen ingeschreven in het boedelregister.
</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
1.4.
</nr>
      <parablock>
        <para>
Op verzoek van de erfgenamen is bij beschikking van 23 februari 2017 van deze rechtbank ir. J.W.J. van Oostrom tot vereffenaar benoemd. Bij beschikking van 14 september 2017 is ir. Van Oostrom in verband met de complexiteit van de vereffening op eigen verzoek ontslagen en is mr. P.C. Rijken in zijn plaats tot vereffenaar benoemd. Bij diezelfde beschikking is mr. G.H.M. Smelt tot rechter-commissaris benoemd. Bij beschikking van 5 maart 2020 is
</para>
        <para>
mr. Rijken op eigen verzoek ontslagen en is mr. S. van Wijk tot opvolgend vereffenaar benoemd. Bij beschikking van 10 december 2020 is mr. Smelt op eigen verzoek ontslagen en is mr. R. Cats in zijn plaats tot rechter-commissaris benoemd.
</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
1.5.
</nr>
      <para>
Mr. G.J.B. Schrickx, notaris bij Buren N.V., heeft zich op verzoek van mr. Rijken als boedelnotaris ingeschreven in het boedelregister.
</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
<nr>
2
</nr>
Het verzoek
</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>
2.1.
</nr>
      <para>
In het verzoekschrift van 29 september 2022 heeft mr. Van Wijk verzocht de opheffing van de vereffening van de nalatenschap te bevelen. Daarnaast heeft hij verzocht de al gemaakte vereffeningskosten (inclusief salaris voormalig vereffenaar en huidige vereffenaar) vast te stellen en deze ten laste te brengen van de boedel.
</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
<nr>
3
</nr>
Beoordeling
</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>
3.1.
</nr>
      <parablock>
        <para>
Op grond van artikel 4:209 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan, indien de geringe
waarde der baten van een nalatenschap daartoe aanleiding geeft, de kantonrechter op verzoek
van de vereffenaar of een belanghebbende hetzij de kosteloze vereffening van de nalatenschap,
hetzij de opheffing van de vereffening bevelen. Op een verzoek tot opheffing wordt de verzoeker
gehoord of behoorlijk opgeroepen, alsmede voor zover zij bestaan en bekend zijn, de
erfgenamen, de vereffenaar en de boedelnotaris. Indien een rechter-commissaris is benoemd,
komt de in de eerste zin bedoelde bevoegdheid, op voordracht van de rechter-commissaris, aan
de rechtbank toe.
</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
3.2.
</nr>
      <parablock>
        <para>
De rechter-commissaris heeft het verzoekschrift met de bevindingen van de vereffenaar
ontvangen en heeft hierop aan de rechtbank de voordracht gedaan om op de voet van artikel
4:209 BW de opheffing van de vereffening te bevelen. Op het verzoek van de vereffenaar tot
vaststelling van het loon heeft de rechter-commissaris bij beschikking van 15 december 2022 al
beslist.
</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
3.3.
</nr>
      <parablock>
        <para>
De rechtbank acht genoegzaam aangetoond dat de baten onvoldoende zijn om de
vereffeningskosten volledig te voldoen. Uit de rekening en verantwoording blijkt dat sprake is
van een negatieve nalatenschap. Voorts heeft de vereffenaar de erfgenamen, de boedelnotaris en
de voormalig vereffenaar een afschrift toegezonden van de gedeponeerde boedelbeschrijving en
van de afgelegde rekening en verantwoording. De begeleidende brief aan de rechtbank met de
toelichting heeft verzoeker ook aan hen toegezonden. Zij hebben schriftelijk verklaard kennis te
hebben genomen van voormelde stukken en af te zien van het recht daarover te worden gehoord
en dus geen bezwaar te hebben tegen een pro forma behandeling van het opheffingsverzoek.
</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>
3.4.
</nr>
      <parablock>
        <para>
Het opheffingsverzoek is als op de wet gegrond toewijsbaar. De rechtbank zal dat verzoek
daarom toewijzen.
</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
<nr>
4
</nr>
Beslissing
</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>
4.1.
</nr>
      <para>
De rechtbank:
</para>
      <para />
      <para>
- beveelt opheffing van de vereffening van de voormelde nalatenschap;
</para>
      <para />
      <para>
- ontheft de vereffenaar van de publicatieplicht, met uitzondering van de publicatie in de
</para>
      <para>
Staatscourant;
</para>
      <para />
      <para>
- verstaat dat deze beschikking bekend zal worden gemaakt door plaatsing op
</para>
      <para>
rechtspraak.nl/uitspraken;
</para>
      <para />
      <para>
- stelt vast dat de griffier de opheffing doet inschrijven in het boedelregister.
</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
Deze beschikking is gegeven door mr. R.G.C. Veneman, rechter, bijgestaan door R. Becker, griffier en uitgesproken op 21 december 2022.
</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>