<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:14077</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-23T13:49:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-12-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.10877</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:14077">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:14077</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-23T13:48:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:14077 Rechtbank Den Haag , 22-12-2022 / NL22.10877</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:14077:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>BNT, 8:54</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:14077:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL22.10877</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam], eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>v-nummer: [nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. E.W.B. van Twist),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft op 11 juni 2022 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn </para>
      <para>asielaanvraag. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de </para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht (Awb).  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing </para>
    <parablock>
      <para>van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit </para>
      <para>met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het </para>
      <para>beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een </para>
      <para>besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling </para>
      <para>door het bestuursorgaan is ontvangen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser heeft op 18 oktober 2021 een asielaanvraag ingediend. Op grond van </para>
    <parablock>
      <para>artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 bedraagt de beslistermijn zes </para>
      <para>maanden. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen gebruik heeft gemaakt van de </para>
      <para>mogelijkheden in het vierde en het vijfde lid om deze termijn te verlengen. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 18 april 2022 een beslissing had moeten nemen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn is verstreken zonder dat een </para>
    <parablock>
      <para>beslissing  op de aanvraag is genomen. Eiser heeft verweerder op 27 mei 2022 </para>
      <para>rechtsgeldig in gebreke gesteld, zoals bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Hierna zijn meer dan twee weken verstreken voordat eiser beroep heeft ingesteld. Het beroep is daarom kennelijk gegrond. Het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit zal dan ook worden vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiser heeft de rechtbank verzocht om verweerder op te dragen een besluit te nemen binnen een termijn van twee weken en te bepalen dat verweerder een dwangsom aan eiser verbeurt van €500,- voor elke dag met een maximum van €15.000,- dat de hiervoor gestelde beslistermijn wordt overschreden. </para>
    <para />
    <para>5. Ingevolge artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, kan de bestuursrechter het </para>
    <para>bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Daarbij kan hij het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere handeling. </para>
    <para />
    <para>6. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft </para>
    <parablock>
      <para>overwogen<footnote-ref linkend="_a72cf81b-38b7-4564-b68b-116f803baabe" />, houdt de rechter er in asielzaken rekening mee dat verweerder aanvragen </para>
      <para>binnen een redelijke  termijn moet hebben behandeld. Bij de bepaling van de nadere </para>
      <para>termijn is van belang dat de zorgvuldigheid van de besluitvorming zwaar weegt.<footnote-ref linkend="_b7a5dbe5-a5ad-4c67-9ffc-0001ed648832" /> De </para>
      <para>rechter stelt dus geen nadere termijn waarvan op voorhand vaststaat dat het </para>
      <para>bestuursorgaan niet zorgvuldig te werk kan gaan. Volgens de Afdeling is een termijn  van </para>
      <para>acht weken voor het houden van een eerste gehoor en een termijn van acht weken hierna </para>
      <para>voor het bekend maken van een besluit op de aanvraag (het 8+8-weken model) passend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. De rechtbank stelt vast dat van eiser op 15 november 2021 een aanmeldgehoor is afgenomen. Niet is gebleken dat eiser nader zal moeten worden gehoord. De rechtbank zal daarom bepalen dat verweerder thans binnen acht weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden een besluit aan eiser bekendmaakt.</para>
    <para />
    <para>8. Uit de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2022<footnote-ref linkend="_477c985b-1cd9-4257-b47a-4fc5462fbd66" /> volgt dat artikel 1 van de Tijdelijke wet<footnote-ref linkend="_844ff4b2-b3b7-48b8-bbd1-568a1d048cfd" />, zoals die luidt sinds 11 juli 2021, onverbindend is, voor zover daarin is bepaald dat de artikelen 8:55d, tweede lid, en 8:72, zesde lid, van de Awb niet van toepassing zijn op besluiten op asielaanvragen. Dit betekent dat de bestuursrechter óók in asielprocedures, indien het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, bepaalt dat de staatssecretaris binnen de door hem gestelde termijn alsnog een besluit neemt en aan zijn uitspraak een nadere dwangsom verbindt voor iedere dag dat de staatssecretaris in gebreke blijft de uitspraak na te leven. </para>
    <para />
    <para>9. De rechtbank zal gelet hierop bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt voor </para>
    <para>elke dag dat hij in gebreke blijft deze uitspraak na te leven ter hoogte van € 100 per dag met een maximum van € 7.500. </para>
    <para />
    <para>10. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser </para>
    <parablock>
      <para>gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten </para>
      <para>bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op   </para>
      <para>€ 379,50  bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759 en vermenigvuldigd  met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van </para>
      <para>oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het </para>
      <para>niet tijdig nemen van een besluit. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep gegrond; </para>
    <para>- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit; </para>
    <para>- draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze <?linebreak?>    uitspraak alsnog een besluit bekend te maken op de asielaanvraag van eiser; </para>
    <para>- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100 (honderd euro) <?linebreak?>   verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met </para>
    <para>   een maximum van € 7.500 (vijfenzeventighonderd euro); </para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van <?linebreak?>   € 379,50 (driehonderdnegenenzeventig euro en vijftig cent). </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Spruijt, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Bent u het niet eens met deze uitspraak?</emphasis>
      </para>
      <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. </para>
      <para />
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_a72cf81b-38b7-4564-b68b-116f803baabe" label="1">
    <para> Uitspraak van 8 juli 2020,  ECLI:NL:RVS:2020:1560.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b7a5dbe5-a5ad-4c67-9ffc-0001ed648832" label="2">
    <para> Dit volgt ook uit artikel  31, tweede lid, richtlijn 2013/32/EU  (de Procedurerichtlijn).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_477c985b-1cd9-4257-b47a-4fc5462fbd66" label="3">
    <para> ECLI:NL:RVS:2022:3353.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_844ff4b2-b3b7-48b8-bbd1-568a1d048cfd" label="4">
    <para> Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>