<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:13880</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-04T09:00:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-10-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.16637</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:13880">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:13880</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-03T14:06:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:13880 Rechtbank Den Haag , 25-10-2022 / NL22.16637</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:13880:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin Denemarken - interstatelijk vertrouwensbeginsel - beroep ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:13880:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL22.16637</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [v-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. A. Jankie),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. C. Wesenbeek). </para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 24 augustus 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen.<footnote-ref linkend="_77da03b5-a715-47e8-bdf0-c3690746e38f" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft daarbij ook een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek toegewezen.<footnote-ref linkend="_46c3ecea-a5b6-4213-8567-43ce1380709a" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 18 oktober 2022 op zitting behandeld. Eiser was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk was aanwezig mevrouw S. Shaich- Taleb. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiser heeft de Syrische nationaliteit. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Denemarken volgens hem verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van eisers aanvraag. Nederland heeft een verzoek om terugname gedaan bij Denemarken en dit verzoek is aanvaard.<footnote-ref linkend="_0cc767f0-a888-4d5d-a4e7-b8b6d3f34235" /></para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vinden partijen in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser voert aan dat hij niet overgedragen mag worden aan Denemarken. Verweerder gaat in dit geval ten onrechte uit van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Denemarken. Volgens eiser voert Denemarken een ander beschermingsbeleid met betrekking tot Syrische mannen die als reservist worden opgeroepen. Als gevolg hiervan loopt hij het risico om uitgezet te worden naar Syrië, waar zijn leven niet zeker is (indirect refoulement). Hij verwijst hiervoor naar een recente uitspraak van de hoogste bestuursrechter.<footnote-ref linkend="_ef966947-a9a7-4018-8cf1-34bbaa39bb68" /> Zijn asielvergunning is in Denemarken ingetrokken en hij kan daar geen rechtsmiddel meer tegen aanwenden. Hij zal in Denemarken geen toegang meer hebben tot de asielprocedure en ook een zorgvuldige rechtsgang is niet verzekerd. </para>
    <para />
    <para>3. Verweerder vindt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op indirect refoulement, omdat hij niet heeft voldaan aan de bewijslast zoals omschreven door de hoogste bestuursrechter. Volgens verweerder mag dus worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verder is van belang dat de asielvergunning van eiser in Denemarken niet is ingetrokken omdat Denemarken hem wilde uitzetten naar Syrië, maar omdat hij een strafbaar feit heeft gepleegd. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Interstatelijk vertrouwensbeginsel </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat verweerder als uitgangspunt erop mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Uit de door eiser aangehaalde uitspraak van de hoogste bestuursrechter<footnote-ref linkend="_b1a76ed6-50f0-46ae-b1d6-1c3996e6e6f6" /> volgt dat het aan de vreemdeling is om dit uitgangspunt te weerleggen. Volgens deze uitspraak ligt de bewijslast om een reëel risico op indirect refoulement aannemelijk te maken bij de vreemdeling. Om aan de bewijslast te voldoen moet een vreemdeling in de eerste plaats algemene informatie overleggen waaruit voldoende concrete aanknopingspunten volgen dat het beschermingsbeleid in de verantwoordelijke lidstaat, in dit geval Denemarken, evident en fundamenteel verschilt van het beleid dat door de Nederlandse autoriteiten wordt gevoerd. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt dat eiser niet heeft voldaan aan zijn bewijslast. Eiser heeft gesteld dat sprake is van een evident en fundamenteel verschil in het beschermingsbeleid, maar hij heeft geen algemene informatie overgelegd of deze stelling op enige wijze nader onderbouwd. Om die reden kan dan ook niet geconcludeerd worden dat sprake is van een evident en fundamenteel verschil in het beschermingsbeleid van Denemarken en Nederland ten aanzien van Syrische mannen die als reservist worden opgeroepen. De in beroep overgelegde onvertaalde kopie van de afwijzing van eisers asielaanvraag leidt niet tot een ander oordeel, omdat dit ook geen algemene informatie over een verschillend beschermingsbeleid is.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is de conclusie? </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. Het beroep is ongegrond.</para>
      <para />
      <para>6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. R.W. Craanen, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_77da03b5-a715-47e8-bdf0-c3690746e38f" label="1">
    <para> Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_46c3ecea-a5b6-4213-8567-43ce1380709a" label="2">
    <para> Bij uitspraak van 12 september 2022, zaaknummer NL22.16638.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0cc767f0-a888-4d5d-a4e7-b8b6d3f34235" label="3">
    <para> Zie artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_ef966947-a9a7-4018-8cf1-34bbaa39bb68" label="4">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1864.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b1a76ed6-50f0-46ae-b1d6-1c3996e6e6f6" label="5">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, r.o. 8.3-8.6.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>