<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:13724</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-20T12:33:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-11-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.22919 en NL22.23075</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:13724">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:13724</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-20T12:30:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:13724 Rechtbank Den Haag , 29-11-2022 / NL22.22919 en NL22.23075</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:13724:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Bewaring, eerste beroep. Voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser in strafrechtelijke detentie verbleven. Volgens eiser had verweerder deze tijd moeten gebruiken om zijn overdracht aan de Zwitserse autoriteiten in het kader van de Dublinverordening voor te bereiden.</para>
        <para>Verweerder erkent dat niet aan de inspanningsverplichting is voldaan zoals omschreven in paragraaf A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Volgens verweerder moet dit leiden tot een belangenafweging en dient deze in het voordeel van verweerder uit te vallen.</para>
        <para>Verweerder noemt hierbij onder andere dat getracht is om de vreemdelingenbewaring zo kort mogelijk te laten duren door extra voortvarend te handelen. Hierdoor is het mogelijk dat eiser al binnen vijf dagen na zijn inbewaringstelling wordt overgedragen aan de Zwitserse autoriteiten.</para>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat het niet voldoen aan de inspanningsverplichting leidt tot een belangenafweging en dat deze, in het onderhavige geval, in het voordeel van verweerder uitvalt. </para>
        <para>Ondanks deze geconstateerde schending van de inspanningsverplichting bestaat er, op grond van vaststaande Afdelingsjurisprudentie geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:13724:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Arnhem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: NL22.22919 en NL22.23075</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 november 2022 in de zaken tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], v-nummer [nummer], eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M. Terpstra),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. D. Kuiper).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 9 november 2022 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Bij besluit van 17 november 2022 (bestreden besluit 2) heeft verweerder aan eiser een overdrachtsbesluit opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van bewaring moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 22 november 2022 de maatregel van bewaring opgeheven vanwege de overdracht van eiser in het kader van de Dublinverordening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 22 november 2022 op zitting behandeld. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen en heeft afstand gedaan van zijn recht om gehoord te worden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Over het overdrachtsbesluit (NL22.23075)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>1. De rechtbank stelt vast dat door eiser geen gronden zijn ingediend tegen het</para>
    <para>overdrachtsbesluit. De rechtbank verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 daarom niet-ontvankelijk.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Over de maatregel van bewaring (NL22.22919)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de</para>
    <para>vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.</para>
    <para />
    <para>3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is,</para>
    <para>omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. </para>
    <para />
    <para>4. Eiser voert aan dat de maatregel die aan hem is uitgevaardigd niet rechtsgeldig is</para>
    <para>omdat de maatregel op naam staat van [alias]. Verweerder stelt zich op het standpunt dat volstrekt duidelijk is dat de maatregel aan eiser is uitgereikt. Op het moment van uitreiken stond eiser in het politiesysteem handhaving vreemdelingen geregistreerd als [alias], de naam die eiser had opgegeven tijdens zijn strafrechtelijke aanhouding. Deze naam is vervolgens gewijzigd in [eiser] zoals ook is toegelicht in de maatregel.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat duidelijk is dat de maatregel van</para>
        <para>bewaring op eiser betrekking heeft. Ook is er geen twijfel over dat eiser bekend is met de inhoud van de maatregel. De beroepsgrond slaagt niet. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan zijn</para>
        <para>overdracht. Voorafgaand aan zijn inbewaringstelling heeft eiser zes maanden in strafrechtelijke detentie verbleven. Verweerder had deze tijd kunnen en moeten gebruiken om eisers overdracht aan Zwitserland voor te bereiden zodat hij aansluitend aan zijn strafrechtelijke detentie aan de Zwitserse autoriteiten overgedragen had kunnen worden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Verweerder erkent dat niet aan de inspanningsverplichting is voldaan zoals</para>
        <para>omschreven in paragraaf A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Volgens verweerder moet dit leiden tot een belangenafweging en dient deze in het voordeel van verweerder uit te vallen. Verweerder heeft als belangen bij de overdracht van eiser genoemd de aard van de misdrijven die eiser heeft gepleegd en de duur van zijn detentie. Ook heeft verweerder genoemd dat getracht is om de vreemdelingenbewaring zo kort mogelijk te laten duren door extra voortvarend te handelen. Hierdoor is het mogelijk dat eiser al op 22 november 2022 wordt overgedragen aan de Zwitserse autoriteiten. Tot slot heeft verweerder genoemd dat capaciteitsgebrek een rol heeft gespeeld. Dat personeel op andere plekken in de organisatie is ingezet, heeft ertoe geleid dat niet eerder een start is gemaakt met de overdracht van eiser en verweerder is tekortgeschoten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat het niet voldoen aan de</para>
        <para>hiervoor genoemde inspanningsverplichting moet leiden tot een belangenafweging.<footnote-ref linkend="_9f61a96e-ae64-4f6a-895f-abfa32260c3f" /> Naar het oordeel van de rechtbank valt de belangenafweging in dit geval uit in het voordeel van verweerder. Daartoe acht de rechtbank van belang dat de gronden van de maatregel niet zijn bestreden. Daaruit volgt dat er een risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verder is van belang dat eiser criminele antecedenten heeft en dat verweerder op de dag nadat eiser in vreemdelingenbewaring is gesteld is begonnen met handelingen ter voorbereiding van de overdracht. Dat eiser, ondanks de inspanningsverplichting, in vreemdelingenbewaring is gesteld, is een belang dat niet opweegt tegen de hiervoor genoemde belangen van verweerder. De met de bewaring gediende belangen staan in redelijke verhouding tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
        </para>
        <para>6. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is ongegrond en het beroep tegen bestreden</para>
        <para>besluit 2 is niet-ontvankelijk. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding</para>
        <para>afgewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, ondanks de hiervoor</para>
        <para>geconstateerde schending van de inspanningsverplichting.<footnote-ref linkend="_342b9738-76ae-4116-8fe8-1e49a42e2de9" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 niet-ontvankelijk;</para>
    <para>- verklaart het beroep tegen besteden besluit 1 ongegrond;<?linebreak?>- wijst het verzoek om schadevergoeding af.<?linebreak?></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>M.M. Neutgens, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_9f61a96e-ae64-4f6a-895f-abfa32260c3f" label="1">
    <para> Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 januari 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BH1548), meer recent bevestigd in de Afdelingsuitspraak van 4 mei 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1322).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_342b9738-76ae-4116-8fe8-1e49a42e2de9" label="2">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2243).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>