<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:13603</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-16T09:11:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-12-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.24523</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:13603">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:13603</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-16T09:07:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:13603 Rechtbank Den Haag , 12-12-2022 / NL22.24523</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:13603:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eerste beroep bewaring – gronden betwist – lichter middel - ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:13603:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL22.24523</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam], eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M.M.E. Disselkamp).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 30 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw<footnote-ref linkend="_235e1723-0fdd-4d69-81da-bee6cb3ce40d" /> opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 7 december 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.K. Nyaku. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voortraject</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser heeft de gronden van beroep schriftelijk kenbaar gemaakt en ter zitting nader</para>
    <parablock>
      <para>toegelicht. Hij stelt allereerst dat gecontroleerd dient te worden of het voortraject op de juiste wijze heeft plaatsgevonden.</para>
      <para>.	</para>
    </parablock>
    <para>3. Het is de rechtbank na bestudering van de stukken niet gebleken van enige</para>
    <para>onregelmatigheden in het voortraject. De beroepsgrond van eiser treft geen doel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Maatregel van bewaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Vaststaat dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland, zodat verweerder op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vw bevoegd is tot het opleggen van de maatregel van bewaring. Het is de rechtbank na bestudering van de stukken niet gebleken van onrechtmatigheden bij het opleggen van de maatregel, zoals eiser in zijn beroepsgronden heeft aangehaald.</para>
    <para />
    <para>5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden<footnote-ref linkend="_fa1c79fd-b7f6-42d1-84c5-3f3015f86896" /> vermeld dat eiser:</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer</emphasis>;</para>
    <para>
      <?linebreak?>en als lichte gronden<footnote-ref linkend="_084d1ebe-2a23-47e9-b5d7-dd5708694b0b" /> vermeld dat eiser:</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld</emphasis>.</para>
    <para />
    <para>6. Eiser betwist de zware grond 3b. Hij stelt dat het te kort door de bocht is om te stellen dat hij ‘mob’ is gegaan. Hij was onderweg naar de HTL<footnote-ref linkend="_05eac650-2027-4ef7-8f7e-d04323798d7e" /> om zich te melden. Ook betwist eiser de lichte grond 4d. Hij stelt dat niet is gebleken dat hem is gevraagd is of hij financiële middelen heeft. In de maatregel lijkt enkel te zijn uitgegaan van de aanname van de desbetreffende ambtenaar van DT&amp;V.<footnote-ref linkend="_f7b56b5e-79fe-4e23-b034-018d234fa494" /></para>
    <para />
    <para>7. Verweerder heeft de zware gronden 3a en 3b terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd. Eiser heeft verklaard ten tijde van zijn inreis in Nederland niet in bezit te zijn geweest van een paspoort of een visum.<footnote-ref linkend="_c285bd2b-5c29-4505-a333-28a35213210f" /> Ook blijkt uit het dossier dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken vanuit het AZC, wat maakt dat hij zich aan het toezicht heeft onttrokken. Deze zware gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Wat eiser voor het overige heeft aangevoerd over de lichte grond 4d behoeft geen bespreking, omdat dit niet kan leiden tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Lichter middel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Eiser stelt dat hij ook in de gaten gehouden kan worden als hij zijn uitzetting in een HTL kan afwachten. Het gaat niet goed met eiser en hij verblijft momenteel ook in een observatiecel. Hij stelt zich meewerkend op. Het enkele feit dat hij niet is verschenen voor de presentatie maakt niet dat hij niet heeft meegewerkt aan zijn vertrek. Eiser meent dat een lichter middel daarom op zijn plaats is, nu hij toch al in een HTL verbleef voorafgaand aan de inbewaringstelling.</para>
    <para />
    <para>9. Gelet op de gronden die ten grondslag aan de maatregel van bewaring zijn gelegd, is een risico op onttrekking aan het toezicht gegeven. Verweerder heeft zich ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat het enkele feit dat eiser bij een HTL ook gecontroleerd wordt, het risico op onttrekking niet wegneemt. Verder is met de gestelde meewerkende houding van eiser tot nu toe niet genoeg gebleken om tot uitzetting te komen. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat eiser niet is verschenen voor de presentatie in persoon bij de Nigeriaanse vertegenwoordiging om een reisdocument te verkrijgen. Verweerder heeft in de maatregel dan ook voldoende gemotiveerd waarom een lichter middel niet doeltreffend kan worden toegepast in het geval van eiser. Ook heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom de bewaring voor eiser niet onredelijk bezwarend is.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voortvarendheid en zicht op uitzetting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Eiser is op 30 november 2022 in bewaring gesteld. Verweerder heeft voorafgaand aan de maatregel, 28 november 2022, al een LP<footnote-ref linkend="_a5165e21-f5cc-4e50-8e88-299719f4b3b4" />-aanvraag naar de Marokkaanse autoriteiten verzonden. Ook heeft verweerder op de tweede dag van de bewaring met eiser een vertrekgesprek gevoerd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt.</para>
    <para />
    <para>11. Tot slot heeft verweerder in de maatregel van bewaring terecht overwogen dat sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Niet is gebleken dat de Nigeriaanse autoriteiten niet willen of kunnen meewerken aan de terugkeer van eiser.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>12. De maatregel van bewaring is terecht aan eiser opgelegd. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- verklaart het beroep ongegrond;<?linebreak?>- wijst het verzoek om schadevergoeding af.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. </para>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_235e1723-0fdd-4d69-81da-bee6cb3ce40d" label="1">
    <para> Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fa1c79fd-b7f6-42d1-84c5-3f3015f86896" label="2">
    <para> Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_084d1ebe-2a23-47e9-b5d7-dd5708694b0b" label="3">
    <para> Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_05eac650-2027-4ef7-8f7e-d04323798d7e" label="4">
    <para> Handhaving en toezichtlocatie.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f7b56b5e-79fe-4e23-b034-018d234fa494" label="5">
    <para> Dienst Terugkeer en Vertrek.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c285bd2b-5c29-4505-a333-28a35213210f" label="6">
    <para> Proces-verbaal van gehoor van 30 november 2022 (M110), pagina 4 van 7.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a5165e21-f5cc-4e50-8e88-299719f4b3b4" label="7">
    <para> Laissez passer.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>