<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:13413</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-24T09:54:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-12-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.21548</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RVS:2024:1372" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan">Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2024:1372, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:13413">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:13413</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-13T13:18:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:13413 Rechtbank Den Haag , 07-12-2022 / NL22.21548</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:13413:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewaring. Eerste beroep. Marokkaanse. Uitzicht op uitzetting. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:13413:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL22.21548</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam], eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. G. Cambier).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 20 oktober 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 31 oktober 2022 heeft eiser een verzoek tot wraking ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft op 2 november 2022 een aanvang gemaakt met het horen van eiser op de zitting. Omdat een verzoek tot wraking is ingediend, is het onderzoek ter zitting onmiddellijk geschorst. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beslissing van 18 november 2022 heeft de wrakingskamer het verzoek tot wraking afgewezen.<footnote-ref linkend="_f7816eb4-782e-4817-b1c5-25e5fa499e32" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 30 november 2022. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen R. Dahman. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2001 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">Bevoegdheid behandelend rechter</emphasis>
    </para>
    <para />
    <para>2. Gemachtigde van eiser heeft ter zitting gesteld dat de op 2 november 2022 gehouden zitting niet gedaan had mogen worden door de thans behandelend rechter in verband met een ingediend wrakingsverzoek op 1 november 2022.</para>
    <para />
    <para>3. De gemachtigde wordt hierin niet gevolgd. Op 2 november 2022 heeft de behandelend rechter in verband met het door de gemachtigde ingediende wrakingsverzoek de zitting geopend en vervolgens geschorst zonder dat een nadere inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden. Een rechter waartegen een wrakingsverzoek is ingediend, is bevoegd om procesbeslissingen te nemen die geen uitstel kunnen dulden en daarvan was in dit geval sprake gelet op het bepaalde in artikel 94, vierde lid van de Vw.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Maatregel van bewaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eisers asielaanvraag is op 14 mei 2020 buiten behandeling gesteld. Dit besluit staat in rechte vast nu eiser hiertegen geen rechtsmiddel heeft aangewend. Dit betekent dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Verweerder heeft de maatregel van bewaring dan ook op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kunnen opleggen.</para>
    <para />
    <para>5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Als zware gronden<footnote-ref linkend="_7e09a505-f686-4a94-bf67-7f78b5209689" /> staat in de maatregel vermeld dat eiser:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para> 3 <emphasis role="italic">3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;</emphasis></para>
      <para> 3 <emphasis role="italic">3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;</emphasis></para>
      <para> 3 <emphasis role="italic">3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;</emphasis></para>
      <para> 3 <emphasis role="italic">3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>En als lichte gronden<footnote-ref linkend="_8c3c9ba2-4f94-4ada-b651-53170c777256" /> staat in de maatregel vermeld dat eiser:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para> 4 <emphasis role="italic">4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;</emphasis></para>
      <para> 4 <emphasis role="italic">4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;</emphasis></para>
      <para> 4 <emphasis role="italic">4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;</emphasis></para>
      <para> 4 <emphasis role="italic">4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Ter zitting heeft verweerder de lichte grond 4d laten vallen. Verder heeft eiser het bestreden besluit in beroep niet inhoudelijk betwist. De rechtbank is echter gehouden de maatregel van bewaring ambtshalve op rechtmatigheid te beoordelen.<footnote-ref linkend="_2cb1c85c-b704-4f79-97cd-9c1c358bf9c6" /></para>
    <para />
    <para>7. Verder heeft verweerder terecht de zware gronden 3b en 3c aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd. Eiser heeft immers geen mededeling gedaan van zijn onrechtmatig verblijf, waardoor hij zich aan het toezicht heeft onttrokken. Daarnaast is aan eiser op 14 mei 2020 een terugkeerbesluit opgelegd waar hij geen gevolg aan heeft gegeven. Deze zware gronden tezamen acht de rechtbank voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Daarom is sprake van een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van zijn vertrek ontwijkt of belemmert. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Lichter middel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Verweerder heeft voorts voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is om het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken te ondervangen. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat evenmin is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voortvarendheid en zicht op uitzetting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. Verweerder werkt ook voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Eiser is 20 oktober 2022 in bewaring gesteld. Op 26 oktober 2022 heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden en is eisers LP<footnote-ref linkend="_a54cc0e1-38c3-4eb1-bf2d-dfe7ba83b53c" />-aanvraag ingevuld en naar de LP-kamer verzonden. Op 1 november 2022 is de LP-aanvraag aangevuld met de benodigde vingerafdrukken waarna de LP-aanvraag op 2 november 2022 is ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten.</para>
    <para />
    <para>10. Tot slot heeft verweerder voldoende gemotiveerd uiteengezet waarom sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling<footnote-ref linkend="_6d2049b8-cd95-4bf8-98c8-f4ad68149e2b" /> van 14 november 2022.<footnote-ref linkend="_0c0a977c-f236-4fac-b436-db58fd3c1e33" /> Verweerder heeft in aanvulling op de maatregel van bewaring op zitting aangegeven dat over de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 oktober 2022 122 LP’s zijn aangevraagd, waarvoor inmiddels 25 LP’s zijn afgegeven. De rechtbank is dan ook niet gebleken van omstandigheden die aanleiding geven tot een andere conclusie. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>11. De maatregel van bewaring is terecht aan eiser opgelegd. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om schadevergoeding af.<?linebreak?></para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. </para>
      <para>De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_f7816eb4-782e-4817-b1c5-25e5fa499e32" label="1">
    <para> Rb Zeeland – West-Brabant 18 november 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:6880.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7e09a505-f686-4a94-bf67-7f78b5209689" label="2">
    <para> Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8c3c9ba2-4f94-4ada-b651-53170c777256" label="3">
    <para> Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_2cb1c85c-b704-4f79-97cd-9c1c358bf9c6" label="4">
    <para> HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a54cc0e1-38c3-4eb1-bf2d-dfe7ba83b53c" label="5">
    <para> Laissez-passer. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_6d2049b8-cd95-4bf8-98c8-f4ad68149e2b" label="6">
    <para> De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0c0a977c-f236-4fac-b436-db58fd3c1e33" label="7">
    <para> ABRvS 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>