<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:13393</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-13T09:08:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-12-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.23591</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:13393">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:13393</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-13T09:06:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:13393 Rechtbank Den Haag , 07-12-2022 / NL22.23591</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:13393:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewaring. Eerste beroep. Marokko. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:13393:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL22.23591</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam], eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 18 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. L.A. Middelkoop, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Cherradi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Maatregel van bewaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eisers asielaanvraag is op 2 november 2022 buiten behandeling gesteld. Dit besluit staat in rechte vast nu eiser hiertegen geen rechtsmiddel heeft aangewend. Dit betekent dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Verweerder was op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw dan ook bevoegd tot het opleggen van de maatregel.</para>
    <para />
    <para>3. In de maatregel heeft verweerder overwogen dat deze nodig is in het belang van de openbare orde, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Als zware gronden<footnote-ref linkend="_afb9f26a-5ca7-4589-af45-5a42b0520edf" /> staat in de maatregel vermeld dat eiser:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para> 3 <emphasis role="italic">3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;</emphasis></para>
      <para> 3 <emphasis role="italic">3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;</emphasis></para>
      <para> 3 <emphasis role="italic">3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;</emphasis></para>
      <para> 3 <emphasis role="italic">3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>En als lichte gronden<footnote-ref linkend="_d4d401b5-bf31-4a46-8ce6-0491f2b61ce5" /> staat in de maatregel vermeld dat eiser:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para> 4 <emphasis role="italic">4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;</emphasis></para>
      <para> 4 <emphasis role="italic">4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;</emphasis></para>
      <para> 4 <emphasis role="italic">4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiser betwist in beroep de zware grond 3d. Hierbij voert eiser aan dat het inroepen van consulaire bijstand een recht is en geen plicht en om die reden niet kan worden tegengeworpen. Eiser erkent dat overigens voldoende gronden aanwezig zijn om de maatregel te kunnen dragen.</para>
    <para />
    <para>5. Niet in geschil is dat de vermelding in de maatregel van bewaring van de omstandigheid dat eiser is ingereisd met een paspoort een verschrijving betreft. Eiser heeft verklaard niet te beschikken over een paspoort of een visum.<footnote-ref linkend="_efc77d58-26a1-42ea-9a1d-4e65704ee113" /> Dit heeft hij ter zitting bevestigd. Ook uit de verdere motivering bij de zware grond 3a blijkt dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser Nederland illegaal is ingereisd. Verder heeft verweerder terecht overwogen dat eiser geen mededeling heeft gedaan van zijn onrechtmatig verblijf bij binnenkomst, waardoor hij zich aan het toezicht heeft onttrokken. Ook zware grond 3b is daarom terecht opgevoerd. Deze zware gronden tezamen zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Wat eiser voor het overige heeft aangevoerd over de zware grond 3d behoeft daarom geen bespreking. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Lichter middel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast om het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken te ondervangen. Verweerder heeft daarnaast voldoende gemotiveerd dat evenmin is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken. Hierbij is verweerder ingegaan op eisers verklaringen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voortvarendheid en zicht op uitzetting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Verweerder werkt voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Op 8 november 2022 is een LP<footnote-ref linkend="_f4c84f44-c841-4bed-bc0a-86ec80365aa7" />-aanvraag ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten. Deze LP-aanvraag is op 15 november 2022 aangevuld met de originele vingerafdrukken van eiser. </para>
    <para />
    <para>8. Tot slot heeft verweerder in de maatregel van bewaring terecht overwogen dat sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. De rechtbank verwijst hierbij nog naar de uitspraak van de Afdeling van 14 november jl.<footnote-ref linkend="_a63aae58-9b7a-4278-b6d8-4b8f9b343126" /> Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die aanleiding geven tot een andere conclusie.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. De maatregel van bewaring is terecht aan eiser opgelegd. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om schadevergoeding af.<?linebreak?></para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. </para>
      <para>De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_afb9f26a-5ca7-4589-af45-5a42b0520edf" label="1">
    <para> Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d4d401b5-bf31-4a46-8ce6-0491f2b61ce5" label="2">
    <para> Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_efc77d58-26a1-42ea-9a1d-4e65704ee113" label="3">
    <para> Proces-verbaal van gehoor van 5 oktober 2022 (M110), p. 4 van 9.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f4c84f44-c841-4bed-bc0a-86ec80365aa7" label="4">
    <para> Laissez-passer.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a63aae58-9b7a-4278-b6d8-4b8f9b343126" label="5">
    <para> ABRvS 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>