<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:12715</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-29T12:16:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-07-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 21 / 7290</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:12715">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:12715</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-29T12:15:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:12715 Rechtbank Den Haag , 05-07-2022 / AWB 21 / 7290</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:12715:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift. Inmiddels heeft verweerder tijdens de beroepsprocedure een besluit op bezwaar genomen. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit is niet-ontvankelijk omdat eiseres opvang wilde en deze nu ook krijgt. Wel heeft eiseres recht op de bestuurlijke dwangsom omdat verweerder te laat heeft beslist op haar bezwaar. Het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit is gegrond en het bestreden besluit voor zover dat ziet op de hoogte van de toegekende dwangsom wordt vernietigd. De uitspraak komt in de plaats van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd. Ook wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiseres omdat zij terecht beroep heeft ingesteld</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:12715:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Amsterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: AWB 21/7290 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>V-nummer: [nummer]</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 5 juli 2022 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres]
        </emphasis>,</para>
      <para>geboren op [geboortedatum] , van Ethiopische nationaliteit, eiseres</para>
      <para>(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, namens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: mr. D. Ahmed). </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaarschrift. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een schriftelijke reactie ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2022. Partijen zijn – met bericht – niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ten aanzien van het griffierecht</emphasis>
      </para>
      <para>1.	Eiseres heeft de rechtbank verzocht om vrijgesteld te worden van het betalen van griffierecht. Eiseres beschikt niet over een middel van bestaan vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres voldoende onderbouwd dat zij voldoet aan de eisen voor vrijstelling. De rechtbank stelt eiseres dan ook vrij van het betalen van griffierecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ten aanzien van het beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Bij besluit van 5 mei 2021 is de opvang van eiseres in de LVV<footnote-ref linkend="_83e1184a-b09e-4901-9fa8-213f0c8321f6" /> beëindigd. Eiseres heeft op 14 juli 2021 hiertegen bezwaar gemaakt. Op 6 oktober 2021 en op 11 november 2021 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld. Vervolgens is eiseres op 14 december 2021 in beroep gegaan wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Bij besluit van 17 mei 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder alsnog een besluit genomen en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De LVV is beëindigd omdat sprake was van een voorliggende voorziening. Eiseres is namelijk opgevangen in het AZC<footnote-ref linkend="_da58c9f1-eda4-4c15-beae-4997b5682741" /> [plaats] sinds 3 september 2021. Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat eiseres met haar bezwaar niet kan bereiken dat alsnog opvang wordt geboden.  </para>
      <para />
      <para>3. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over beroep gelijkgesteld met een besluit, zodat daartegen op grond van artikel 8:1 van de Awb beroep kan worden ingesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. </para>
      <para />
      <para>4. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep mede betrekking</para>
      <para>op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. De rechtbank ziet zich daarom ambtshalve voor de vraag gesteld of eiseres procesbelang heeft bij het voeren van deze procedure.</para>
      <para />
      <para>5. De rechtbank stelt vast dat eiseres opvang wil en dat zij momenteel opvang krijgt. Verweerder heeft in zijn besluit van 17 mei 2022 namelijk aangegeven dat eiseres is geplaatst in de opvanglocatie AZC [plaats] . Eiseres heeft in haar schrijven van 17 mei 2022 bevestigd dat zij verblijft in een voorziening van het COA.<footnote-ref linkend="_3cd3fce9-a064-46a7-995c-4f173abd0bcf" /> De rechtbank overweegt verder dat eiseres in het beroepschrift of in het nadere schrijven van 17 mei 2022 niet heeft aangegeven wat zij nog wenst te bereiken met dit beroepschrift, behalve een beslissing over de proceskostenveroordeling en bestuurlijke dwangsommen. Gelet op het laatste constateert de rechtbank dat niet geheel tegemoet is gekomen aan het beroep van eiseres omdat zij het niet eens is met de vaststelling van de bestuurlijke dwangsom die is verschuldigd. Niet gebleken is dat eiseres nog een belang heeft bij het beoordelen van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak wel de verschuldigdheid van verweerder van de hoogte van bestuurlijke dwangsom. </para>
      <para />
      <para>6. De rechtbank overweegt dat eiseres terecht beroep heeft ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift. Verweerder had ten tijde van het instellen van het beroep namelijk nog niet beslist op het bezwaarschrift, terwijl de wettelijke beslistermijn al was verstreken. Eiseres heeft verweerder op 6 oktober 2021 in gebreke gesteld. Op grond van artikel 4:17 van de Awb verbeurt verweerder dus vanaf 20 oktober 2021 een bestuurlijke dwangsom. Verweerder verbeurt deze dwangsom voor ten hoogste 42 dagen. Op 17 mei 2022 heeft verweerder beslist op het bezwaar. De 42 dagen waren ten tijde van het beslissen ruimschoots verstreken, zodat verweerder de maximale dwangsom van € 1.442,- aan eiseres verbeurt. Het beroep tegen het bestreden besluit voor zover gericht op het toekennen van de bestuurlijke dwangsom, is gegrond.</para>
      <para />
      <para>7. Omdat eiseres terecht beroep heeft ingesteld, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het indienen van de nadere reactie van 17 mei 2022, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 0,5). </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit nietontvankelijk;</para>
    <para>- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit gegrond;</para>
    <para>- vernietigt het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de hoogte van de toegekende dwangsom;</para>
    <para>- stelt vast dat verweerder als gevolg van het niet tijdig beslissen op het bezwaar een dwangsom heeft verbeurd van in totaal € 1.442,-;</para>
    <para>- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd; en,</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van in totaal € 759,-.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, in aanwezigheid van mr. E.D. Dalman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2022. <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier				</para>
      <para>					  rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel </title>
    <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_83e1184a-b09e-4901-9fa8-213f0c8321f6" label="1">
    <para> Landelijke Vreemdelingen Voorziening.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_da58c9f1-eda4-4c15-beae-4997b5682741" label="2">
    <para> Asielzoekerscentrum. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_3cd3fce9-a064-46a7-995c-4f173abd0bcf" label="3">
    <para> Centraal orgaan opvang asielzoekers. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>