<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:12689</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-23T15:43:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-06-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 22/672</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:12689">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:12689</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-23T15:42:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:12689 Rechtbank Den Haag , 10-06-2022 / AWB 22/672</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:12689:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vovo. Gezinshereniging, mvv-vereiste, eerste aanvraag. Gezinsleven kan elders worden uitgeoefend. Verzoek afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:12689:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AWB 22/672</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 juni 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">
          [verzoekster] , geboren op [1993] , van Marokkaanse nationaliteit</emphasis>, uit [plaats] , verzoekster, V-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. J.S. Maas),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 10 januari 2022 heeft verweerder een aanvraag voor een verblijfvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel “verblijf als familie- of gezinslid bij [A] ” afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 juni 2002 op zitting behandeld. Verzoekster is niet verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Bij besluit van 10 januari 2022 heeft verweerder aan verzoekster opgedragen om zich onmiddellijk naar het grondgebied van Spanje te begeven en meegedeeld dat als dit bevel niet wordt nageleefd, zij kan worden uitgezet. Dit bevel is nog steeds van kracht. Dat betekent dat verzoekster nog steeds de verplichting heeft om aan dit bevel gevolg te geven. De omstandigheid dat verweerder op dit moment niet actief aan haar uitzetting werkt, doet aan deze verplichting niet af. De voorzieningenrechter is aldus van oordeel dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de beoordeling van haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
    <para />
    <para>2. De voorzieningenrechter beoordeelt voorts of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dit oordeel heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.</para>
    <para />
    <para>3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat verzoekster niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De uitzetting van verzoekster is volgens verweerder niet in strijd met het recht op gezinsleven dat zij in Nederland uitoefent. Volgens verweerder valt de belangenafweging in dit verband uit in het nadeel van verzoekster. Er is volgens verweerder dan ook geen aanleiding geweest om verzoekster vrij te stellen van het zogenoemde mvv-vereiste. </para>
    <para>Verzoekster stelt dat zij aan alle voorwaarden voldoet voor verlening van de gevraagde vergunning. Volgens haar heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de belangenafweging in haar nadeel uitvalt en waarom verweerder dus vasthoudt aan het mvv-vereiste. </para>
    <para />
    <para>4. Het is niet in geschil dat verzoekster niet beschikt over een mvv. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder, bij weging van de betrokken belangen, aanleiding had moeten zien om verzoekster vrij te stellen van het mvv-vereiste. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.</para>
    <para />
    <para>5. Niet ten onrechte heeft verweerder aangevoerd dat verzoekster sinds haar verblijf</para>
    <parablock>
      <para>in Nederland nimmer een verblijfsvergunning heeft gehad. In die omstandigheid is zij in Nederland een gezinsleven gaan uitoefenen. De gevolgen van die keuze dienen voor rekening en risico van verzoekster te blijven. Verweerder heeft verder niet ten onrechte aangevoerd dat er geen objectieve belemmering bestaat voor verzoekster om haar gezinsleven in Marokko of Spanje uit te oefenen. In beide landen heeft zij een verblijfsrecht. Het is niet gebleken dat haar partner zich niet bij haar in Marokko of Spanje zou kunnen voegen. Ook is het mogelijk om het gezinsleven op afstand invulling te geven, in het geval haar partner in Nederland zou blijven. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster onvoldoende gemotiveerd dat het voor haar onmogelijk of onevenredig bezwarend is om naar Spanje of Marokko te gaan om daar een mvv aan te vragen. De omstandigheid dat zij onlangs is bevallen en dat zij naar haar zeggen in Marokko en Spanje geen onderdak, inkomen en netwerk heeft, volstaat in dit verband niet. Verder hoeft verweerder niet in het voordeel van verzoekster een doorslaggevend gewicht toe te kennen aan de omstandigheden dat zij goed Nederlands spreekt en dat zij </para>
      <para>geen gevaar vormt voor de openbare orde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat verweerder alle relevante </para>
    <para>gegevens en belangen in de belangenafweging betrokken. Verweerder heeft niet ten onrechte de belangenafweging in het nadeel van verzoekster laten uitvallen. </para>
    <para />
    <para>7. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het bezwaar van verzoekster geen redelijke kans van slagen heeft. Om die reden wijst de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 78 van de Vreemdelingenwet 2000. </para>
    <para />
    <para>8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.P. Bruins-Langedijk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op </para>
      <para>10 juni 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzieningenrechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</bridgehead>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>