<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:12317</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-01T09:00:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-08-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL21.17263</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:12317">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:12317</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-30T15:53:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-12-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:12317 Rechtbank Den Haag , 12-08-2022 / NL21.17263</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:12317:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM valt in het nadeel van eiser uit - verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom de bezwaargronden van eiser niet slagen - geen aanleiding voor het instellen van nader onderzoek - ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:12317:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL21.17263</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , eiser, V-nummer: [v-nummer]</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M.J. Paffen),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. S.S.H. Orsel).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 12 mei 2022 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 19 oktober 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook was referente aanwezig. Als tolk is verschenen A.O. Adam. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1982 en heeft de Somalische nationaliteit. Hij heeft een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘verblijf bij familie-of gezinslid’ ingediend. Eiser heeft een asielstatus in Italië en hij wenst bij zijn partner [A] (referente) en hun vier minderjarige kinderen in Nederland te verblijven.</para>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen, omdat hij niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste<footnote-ref linkend="_9a4d78cb-3367-402b-929d-4c96f31600b5" /> op grond van artikel 8 van het EVRM.<footnote-ref linkend="_31c4f75d-3e89-47de-bdbe-47e01d08b7b3" /> Eiser heeft weliswaar gezinsleven met referente en hun minderjarige kinderen, maar de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM valt volgens verweerder in zijn nadeel uit. Daarbij weegt verweerder onder meer mee dat eiser onvoldoende met stukken heeft onderbouwd dat er sprake is van objectieve en subjectieve belemmeringen om het gezinsleven in Italië uit te oefenen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vinden eiser en verweerder in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser vindt dat verweerder ten onrechte tegenwerpt dat nog geen begin van bewijs is geleverd, nu hij al in de aanvraag- en bezwaarfase meerdere bewijsstukken heeft overgelegd die verweerder dan ook in de belangenafweging had moeten betrekken. Bovendien heeft verweerder vier relevante bezwaargronden ongemotiveerd gepasseerd bij de voorbereiding van het bestreden besluit. Verder vindt eiser dat verweerder - gelet op de belangen van het kind<footnote-ref linkend="_430461d3-9696-4262-aa60-2d27e86308ed" /> - nader onderzoek had moeten doen naar de (mogelijke) gevolgen van het verplaatsen van het gezinsleven naar Italië voor eisers kinderen. Eiser verzoekt daarom de rechtbank om verweerder op te dragen dit onderzoek alsnog uit te voeren, dan wel om een deskundige te benoemen<footnote-ref linkend="_0cd87cbc-cf1c-4d02-a189-f0004d7cfcdd" /> die een rapport kan opstellen ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming.</para>
    <para />
    <para>4. Verweerder heeft op zitting gemotiveerd op de beroepsgronden gereageerd. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Niet in geschil is dat tussen eiser en referente sprake is van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Partijen zijn met name verdeeld over de vraag of het niet verlenen van de verblijfsvergunning leidt tot een ongerechtvaardigde inbreuk op het recht op gezinsleven van eiser. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Hoe de rechtbank tot dit oordeel komt, is opgenomen in onderstaande overwegingen.</para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter<footnote-ref linkend="_ec78d3a5-f5a3-4160-a63b-d29ae433fe90" /> volgt dat verweerder voor beantwoording van de vraag of artikel 8 van het EVRM inmenging in het gezinsleven rechtvaardigt een belangenafweging moet maken. Er moet een ‘fair balance’ zijn tussen enerzijds het belang van de betrokken vreemdeling en diens familie bij de uitoefening van het gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden moeten kenbaar worden betrokken.</para>
    <para />
    <para>7. Bij een eerste toelating, waarvan in dit geval sprake is, mag de omstandigheid dat nooit sprake is geweest van rechtmatig verblijf op grond van een verblijfsvergunning ten nadele van de vreemdeling worden betrokken bij de belangenafweging. Slechts in zeer uitzonderlijke situaties zal sprake zijn van een schending van artikel 8 van het EVRM. </para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in deze zaak niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM in het nadeel van eiser uitvalt. In de belangenafweging heeft verweerder de van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar en op juiste wijze betrokken. Verweerder heeft - gelet op wat is overwogen onder 8 - terecht in de belangenafweging betrokken dat eiser nog geen verblijfsvergunning in Nederland heeft gehad en hij er dan ook niet op mocht vertrouwen dat hij alhier met referente en hun minderjarige kinderen zou mogen wonen. Verweerder heeft niet ten onrechte doorslaggevende waarde toegekend aan het economisch belang van de staat, omdat referente niet voldoet aan het inkomensvereiste en eiser op dit moment in Italië niet werkt. De omstandigheden dat eiser in Italië vanwege de coronacrisis moeite heeft werk te vinden, hij hulp ontvangt van de voedselbank en in een kraakpand slaapt, maken dat verweerder er niet zondermeer op kan vertrouwen dat eiser meteen werk gaat vinden wanneer hij naar Nederland komt. Ook mocht verweerder in eisers nadeel meewegen dat eiser niet over voldoende kennis beschikt van de Nederlandse taal en samenleving en er voor eiser geen objectieve belemmeringen zijn om het gezinsleven met referente en zijn minderjarige kinderen in Italië uit te oefenen. Referente en eisers kinderen beschikken namelijk allen over de Nederlandse nationaliteit en zouden zich dus ook bij eiser in Italië kunnen vestigen. Verweerder heeft daarbij terecht betrokken dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat het voor eisers kinderen niet mogelijk zou zijn om zich aan te passen aan een leven in Italië. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Motiveringsgebrek</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de bezwaargronden van eiser niet leiden tot een ander besluit. Anders dan eiser stelt, heeft eiser heeft in bezwaar namelijk geen aanvullende bewijsstukken overgelegd ten aanzien van objectieve belemmeringen om het gezinsleven in Italië uit te oefenen. Weliswaar heeft eiser bij zijn aanvraag verschillende bewijsstukken overgelegd, maar uit die stukken blijkt niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat het vestigen in Italië voor eisers kinderen zal leiden tot zulke problemen dat eiser verblijf in Nederland moet worden toegestaan. De kinderen van eiser zijn namelijk nog erg jong (de kinderen zijn zes, vijf, vier en één jaar oud) en verweerder kon gelet hierop meewegen dat zij nog niet zo gehecht zijn aan Nederland. Ook in Italië kunnen zij regulier onderwijs volgen en nieuwe vrienden maken en eiser en referente zouden samen de kinderen kunnen verzorgen en ondersteunen bij het opgroeien. De situatie van het gezin van eiser en referente is dan ook niet vergelijkbaar met die van het gezin in de door eiser bij zijn beroepsgronden overgelegde uitspraak.<footnote-ref linkend="_04c1ce01-73d6-4b6c-8c67-2602cc75c192" /> De verwijzing van eiser naar recente rechtspraak van de hoogste bestuursrechter<footnote-ref linkend="_55c72dd7-0f75-4754-aff8-f96f75e05d83" /> met betrekking tot het meewegen van de belangen van kinderen in de toetsing op grond van artikel 8 van het EVRM, slaagt gelet op wat hiervoor is overwogen dan ook niet. Voor zover eiser stelt dat verweerder in het bestreden besluit op vier relevante bezwaargronden - namelijk de zeer bijzondere feiten en omstandigheden, de start van het gezinsleven, het economisch belang en belang van het mvv-vereiste – in het geheel niet is ingegaan, volgt de rechtbank die stelling niet. Eiser heeft in het bezwaarschrift met name de situatie geschetst waarin hij verwacht dat het gezin bij het vestigen in Italië terecht zal komen, waarover verweerder in het bestreden besluit heeft opgenomen dat al die gestelde belemmeringen niet met bewijsstukken zijn onderbouwd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Nader onderzoek</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>10. Verweerder heeft in de door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om nader onderzoek in te stellen naar de mogelijke gevolgen van een vertrek naar Italië voor de kinderen van eiser en referente. Zoals al in het voorgaande is overwogen, is namelijk in het geheel niet gebleken dat er in dit geval bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het voor de kinderen niet mogelijk zal zijn zich aan te passen aan een leven in Italië. Van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is dan ook geen sprake. Gelet hierop heeft de rechtbank dan ook geen deskundige benoemd om nader onderzoek te doen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is de conclusie?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>11. De beroepsgronden slagen niet. Verweerder heeft eisers aanvraag mogen afwijzen. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>12. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.H. van der Poort - Schoenmakers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Petersen, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Bent u het niet eens met deze uitspraak?</emphasis>
      </para>
      <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_9a4d78cb-3367-402b-929d-4c96f31600b5" label="1">
    <para> Vereiste van een machtiging tot voorlopig verblijf, zie artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vreemdelingenbesluit 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_31c4f75d-3e89-47de-bdbe-47e01d08b7b3" label="2">
    <para> Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_430461d3-9696-4262-aa60-2d27e86308ed" label="3">
    <para> Op grond van artikel 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0cd87cbc-cf1c-4d02-a189-f0004d7cfcdd" label="4">
    <para> Op grond van artikel 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ec78d3a5-f5a3-4160-a63b-d29ae433fe90" label="5">
    <para> Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2047.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_04c1ce01-73d6-4b6c-8c67-2602cc75c192" label="6">
    <para> Zie de uitspraak van rechtbank Amsterdam, zittingsplaats Den Haag, van 6 februari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:695, r.o. 4.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_55c72dd7-0f75-4754-aff8-f96f75e05d83" label="7">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1030.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>