<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:12102</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-29T09:00:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-11-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">SGR 22/3008</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:12102">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:12102</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-28T15:11:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:12102 Rechtbank Den Haag , 03-11-2022 / SGR 22/3008</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:12102:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Varia: ongegron</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:12102:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR 22/3008 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], uit [woonplaats], eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. E.C. Sarigöl),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 4 februari 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder een aanvraag van eiser om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 22 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over ?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Verweerder heeft de aanvraag van eiser voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: de aanvraag en Schadefonds) afgewezen, omdat hij die heeft aangevraagd op 31 december 2021 en daarmee niet binnen de wettelijke termijn van</para>
    <para>tien jaar nadat hij op 27 augustus 2010 in Valkenswaard slachtoffer is geworden van een geweldsmisdrijf (schietincident).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser voert aan dat hij niet op de hoogte was van het bestaan van het Schadefonds of van de Nederlandse wetgeving, omdat hij in België woont. Hij was niet in staat om de aanvraag eerder in te dienen omdat hij aan het schietincident lichamelijke en psychische klachten heeft overgehouden. Hij heeft onder andere chronische rugklachten, PTSS, depressie en angstklachten. De afgelopen 10 jaar was hij bezig met zijn revalidatie en was hij hier op gefocust. Hij ervaart nog steeds pijnklachten en het indienen van een aanvraag zou zijn medische behandeling - waarbij herstel voorop staat - doorkruisen. Het is onredelijk en niet realistisch om van hem te verwachten dat hij zich in deze periode zou bezighouden met het indienen van de aanvraag. Verder hebben de begeleiders van Slachtofferhulp tekortgeschoten in de begeleiding en hulpverlening.  </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechter?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Uit het Schadefonds kunnen uitkeringen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen (zie artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Schadefonds Geweldsmisdrijven (Wsg.) </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>In artikel 7 is bepaald dat een aanvraag voor een uitkering moet worden ingediend binnen tien jaar na de dag waarop het misdrijf is gepleegd. Een na afloop van de termijn ingediende aanvraag wordt niettemin behandeld, indien blijkt dat de aanvraag zo spoedig is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>In de Beleidsbundel van 1 augustus 2021 heeft verweerder in paragraaf B van de ‘Overige wettelijke criteria’ verwoord wanneer sprake is van een geldige reden voor</para>
        <para>de overschrijding van de indieningstermijn.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>4.       Niet in geschil is dat de aanvraag te laat is ingediend. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser de aanvraag niet zo snel als redelijkerwijs van hem mocht worden gevraagd heeft ingediend. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het niet op de hoogte zijn van het bestaan van het Schadefonds of het niet op de hoogte zijn van de Nederlandse wetgeving geen geldige reden is voor het overschrijden van de indieningstermijn. Dat eiser van mening is dat de begeleiding en hulpverlening vanuit Slachtofferhulp tekort schoot dient niet voor risico van verweerder te komen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Verder heeft eiser niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat er sprake is van zodanige ernstige lichamelijk of psychische klachten, die verband houden met het schietincident, die hem redelijkerwijs hebben verhinderd eerder een aanvraag in te dienen. Ook blijkt niet dat eiser geen derde kon inschakelen voor het indienen. De overgelegde medische informatie bevat geen aanknopingspunten dat het indienen van een aanvraag zijn revalidatie en herstel zou doorkruisen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. 	Gelet op voorgaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling</para>
        <para>of vergoeding van het griffierecht is geen aanleiding.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. N.Y. Majoor, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>