<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:11932</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-16T09:00:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-11-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.12832 en NL22.12834</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:11932">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:11932</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-15T09:53:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:11932 Rechtbank Den Haag , 08-11-2022 / NL22.12832 en NL22.12834</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:11932:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor arbeid als kennismigrant afgewezen - incomplete aanvraag - hoorplicht - beroep ongegrond - verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:11932:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: NL22.12832 (beroep) en NL22.12834 (voorlopige voorziening)</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer/voorzieningenrechter in de zaken tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser/verzoeker], eiser/verzoeker (hierna: eiser)</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [v-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. A. Orhan),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. S. Kowsari).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 23 september 2021 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning regulier voor het verblijfsdoel ‘arbeid als kennismigrant’ afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 4 juli 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (NL22.12832). Ook heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL22.12834).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht om op een zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek op de zitting achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met het doel om arbeid als kennismigrant te verrichten in Nederland. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat de aanvraag van eiser niet compleet was. Ook blijkt niet uit de aanvraag dat eiser een werkgever heeft bij wie hij arbeid als kennismigrant zal gaan verrichten.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vinden partijen in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij vindt dat verweerder hem niet in de gelegenheid heeft gesteld om de benodigde stukken in te dienen. Hij heeft onvoldoende tijd gekregen om zijn aanvraag aan te vullen. Ook heeft verweerder hem ten onrechte niet gehoord in de bezwaarfase. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van de hoogste bestuursrechter<footnote-ref linkend="_5ae30c3e-7be9-4b76-b01b-a1fc5456285e" />. </para>
    <para />
    <para>3. Verweerder handhaaft zijn standpunt. Verweerder vindt dat hij de aanvraag terecht heeft afgewezen en dat hij eiser niet heeft hoeven horen in de bezwaarfase.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. De rechtbank stelt voorop dat het de verantwoordelijkheid van eiser is om bij zijn aanvraag de benodigde stukken over te leggen. Zoals verweerder terecht heeft gesteld, is op het aanvraagformulier aangegeven welke bewijsmiddelen eiser bij zijn aanvraag moet aanleveren. Verweerder heeft eiser daarnaast op 30 augustus 2021 per brief de mogelijkheid gegeven om zijn aanvraag compleet te maken. Verweerder heeft in die brief heel duidelijk uiteengezet welke informatie en documenten nog missen. Eiser heeft niet gereageerd op deze brief. Eiser heeft daarna in de bezwaarfase ook nog een lange periode gehad om stukken in te dienen. Dit heeft hij nagelaten. Daarom ziet de rechtbank volstrekt geen aanleiding om eiser te volgen in zijn betoog dat hem geen gelegenheid is geboden om de benodigde stukken in te dienen.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Ook volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat verweerder hem had moeten horen. Uit de door eiser aangehaalde uitspraak volgt de vuistregel dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover met verweerder heeft gecommuniceerd, het meer voor de hand ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting. Verweerder heeft er in dit geval terecht op gewezen, dat eiser heeft nagelaten de benodigde stukken in te dienen en dat hij hierover ook geen contact heeft opgenomen met verweerder. Verweerder heeft in dit concrete geval dan ook kunnen afzien van het horen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is de conclusie? </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. Het beroep is ongegrond. </para>
      <para />
      <para>6. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit<footnote-ref linkend="_e9e9a148-1c91-4656-81e3-aa6dfd4642aa" />.</para>
      <para />
      <para>7. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier.</para>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Bent u het niet eens met deze uitspraak?</emphasis>
      </para>
      <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
      <para>Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_5ae30c3e-7be9-4b76-b01b-a1fc5456285e" label="1">
    <para> De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e9e9a148-1c91-4656-81e3-aa6dfd4642aa" label="2">
    <para> Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>