<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:11816</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-22T09:00:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-07-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/3833</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:11816">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:11816</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-18T15:28:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:11816 Rechtbank Den Haag , 12-07-2022 / 21/3833</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:11816:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>WW, herziening, mondelinge uitspraak</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:11816:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR 21/3833 WW </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van </bridgehead>
    <bridgehead role="bold">12 juli 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], te [woonplaats], eiser,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), </emphasis>verweerder</para>
      <para>gemachtigde: M.A. Brouwer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 22 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om herziening van het besluit van 31 juli 2013 afgewezen. </para>
      <para>
        <?linebreak?>Bij besluit van 15 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen hebben nadere stukken ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2022. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn zuster. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Eiser ontving een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 31 juli 2013 heeft verweerder de WW-uitkering per 30 mei 2011 herzien en over de periode van 30 mei 2011 tot en met 16 juni 2013 een bedrag van € 6.032,90 bruto teruggevorderd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. In het besluit van 6 november 2013 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld omdat hij het niet eens is met de term fraude die verweerder in het dossier heeft gebruikt. Dit beroep is bij uitspraak van deze rechtbank van 1 april 2014 niet-ontvankelijk verklaard; de term ‘fraude’ is door verweerder overigens aangepast.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Op 15 september 2020 heeft eiser (nogmaals) bezwaar gemaakt tegen het besluit van 31 juli 2013. Dit bezwaar is door verweerder aangemerkt als herzieningsverzoek. Verweerder heeft hierop het primaire besluit genomen en het herzieningsverzoek afgewezen. Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.</para>
      <para />
      <para>2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft zijn standpunt gehandhaafd, te weten dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden.</para>
      <para />
      <para>3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit onder verwijzing naar een intern UWV-memorandum van 24 mei 2013.</para>
      <para />
      <para>4. De rechtbank overweegt als volgt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Juridisch kader</emphasis>
        </para>
        <para>Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikken een nieuwe aanvraag wordt gedaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Awb kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Volgens vaste rechtspraak toetst de bestuursrechter in geval verweerder toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Eiser heeft aan zijn herzieningsverzoek een memorandum van het Uwv van </para>
        <para>24 mei 2013 ten grondslag gelegd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat het door eiser genoemde stuk niet een nieuw feit vormt als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser zelf aangeeft, dat hij dit memo in april 2020 heeft aangetroffen in zijn Uwv-dossier in verband met de zitting van 1 april 2014. Voorts geeft eiser aan dat hij het stuk eerder moet hebben gezien nu het vermeld is in zijn pleitnotitie, welke door hem is overgelegd. Dat het stuk mogelijk niet is overgelegd in de bezwaarfase destijds, maakt het bovenstaande niet anders nu eiser alsnog in de beroepsfase kennis heeft kunnen nemen van dit stuk en dit in de beroepsprocedure had kunnen betrekken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder het memo terecht niet heeft aangemerkt als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid zoals bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>In wat eiser in beroep heeft aangevoerd wordt voorts geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Hierbij merkt de rechtbank op dat ook overigens niet is gebleken dat het memorandum bij de besluitvorming in 31 juli 2013 tot een ander besluit had moeten voeren.</para>
      <para />
      <para>5. Het voorgaande betekent dat verweerder het herzieningsverzoek van eiser in redelijkheid met toepassing van artikel 4:6 van de Awb heeft mogen afwijzen.</para>
      <para />
      <para>6. Het beroep is ongegrond.</para>
      <para />
      <para>7. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding omdat geen voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gesteld of gebleken.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C.G. Meeder, rechter, in aanwezigheid van </para>
        <para>mr. E.A.C. van Poelgeest, griffier, op 12 juli 2022.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>griffier						rechter</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>