<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:11621</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-08T10:09:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-11-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.9030</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#proceskostenveroordeling">Proceskostenveroordeling</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:11621">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:11621</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-08T10:07:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:11621 Rechtbank Den Haag , 07-11-2022 / NL22.9030</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:11621:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek om proceskostenvergoeding voor een beroep tegen niet tijdig beslissen. De staatssecretaris heeft na het verstrijken van de beslistermijn een besluit- en vertrekmoratorium voor Afghanistan ingesteld. Uit de rechtspraak volgt dat een besluitmoratorium ook geldt voor asielaanvragen waarvan de beslistermijn al is verstreken. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is daarom te vroeg ingesteld. Verzoek afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:11621:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Arnhem</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: NL22.9030</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [verzoekster], v-nummer [nummer], verzoekster</title>
    <para>(gemachtigde: mr. A.C. Pool),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>Inleiding <?linebreak?></title>
    <para>1.	In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat verzoekster heeft ingesteld omdat de staatssecretaris volgens haar niet op tijd heeft beslist op de asielaanvraag van 13 januari 2021. De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De staatssecretaris heeft de asielaanvraag op 9 september 2022 ingewilligd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Naar aanleiding van de inwilliging van 9 september 2022 heeft verzoekster het beroep ingetrokken, met daarbij het verzoek om de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De rechtbank heeft de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om op dat verzoek te reageren. De staatssecretaris heeft aangegeven zich te verzetten tegen toewijzing van het verzoek.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.<footnote-ref linkend="_79711839-c1e2-4b08-8e90-88b9c9330def" /></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat een bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift tegemoet is gekomen, dan kan de rechtbank dat bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.<footnote-ref linkend="_abf92c54-78ed-4060-b8d2-b2106f41fa30" /> Bij een beroep tegen het niet tijdig beslissen houdt dit in dat het bestuursorgaan alsnog een besluit heeft genomen en het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet te vroeg is ingesteld.<footnote-ref linkend="_f762315d-1a9b-4630-b826-11af84a584c4" /></para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Is het beroep tegen het niet tijdig beslissen te vroeg ingesteld?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. Partijen zijn het niet eens over de vraag of het beroep tegen het niet tijdig beslissen te vroeg is ingesteld.</para>
    <para />
    <para>4. Verzoekster heeft haar aanvraag ingediend op 13 januari 2021. De staatssecretaris moet uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen.<footnote-ref linkend="_67f97533-22f0-4c6f-8947-e942bc71c010" /> Dat betekent dat de staatssecretaris uiterlijk op 13 juli 2021 op de aanvraag van verzoekster had moeten beslissen. De staatssecretaris heeft op 26 augustus 2021 besloten tot instelling van een besluit- en vertrekmoratorium voor Afghanistan.<footnote-ref linkend="_517b3bec-5331-4dba-9f3c-4f9e45139d01" /> Hoewel de staatssecretaris pas na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn in de zaak van verzoekster heeft besloten om een besluit- en vertrekmoratorium in te stellen, volgt uit de rechtspraak van de Afdeling dat een besluit- en vertrekmoratorium ook geldt voor aanvragen waarvan de wettelijke beslistermijn is verstreken, maar waarop nog niet is besloten.<footnote-ref linkend="_3cb6dcd8-3fdd-4c41-91a6-a02288c8788c" /> Dat betekent dus dat de staatssecretaris op het moment van het indienen van de ingebrekestelling (op 24 maart 2022) en het instellen van het beroep tegen het niet tijdig beslissen (op 19 mei 2022), nog niet gehouden was om een besluit op de aanvraag van verzoekster te nemen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is dus te vroeg ingesteld.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	Er is geen sprake van een tegemoetkoming in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten daarom af.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>
      <?linebreak?>De rechtbank wijst het verzoek om een vergoeding van de proceskosten af.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J.H. Boerhof, rechter, in aanwezigheid van mr.S.J.B. ter Beke, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over verzet</emphasis>
      </para>
      <para>Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_79711839-c1e2-4b08-8e90-88b9c9330def" label="1">
    <para> Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_abf92c54-78ed-4060-b8d2-b2106f41fa30" label="2">
    <para> Dat staat in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f762315d-1a9b-4630-b826-11af84a584c4" label="3">
    <para> Zie bijvoorbeeld ABRvS 29 februari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC6615, r.o. 2.2.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_67f97533-22f0-4c6f-8947-e942bc71c010" label="4">
    <para> Dit staat in artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_517b3bec-5331-4dba-9f3c-4f9e45139d01" label="5">
    <para>
      <emphasis role="italic">Stcrt. </emphasis>2021/39300.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3cb6dcd8-3fdd-4c41-91a6-a02288c8788c" label="6">
    <para> ABRvS 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3600, r.o. 5.3. Zie ook <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis> 1999/2000, 26732, nr. 7, p. 21.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>