<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:11600</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-05T09:48:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-11-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 21 _ 6902</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RVS:2023:4623" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#(Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen">Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2023:4623, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:11600">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:11600</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-15T14:02:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:11600 Rechtbank Den Haag , 07-11-2022 / AWB - 21 _ 6902</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:11600:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Urgentieverklaring. Geen strijd met Huisvestingswet, internationale verdragen of Grondwet. Geen urgent woonprobleem. Geen toepassing hardheidsclausule.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:11600:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR 21/6902</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], te [woonplaats], eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. A. Güngörmez),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. Z. Haidary).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 19 maart 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek om een urgentieverklaring afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 20 oktober 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zijn gehoord via een beeldverbinding op 19 oktober 2022.</para>
      <para>Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiser heeft verzocht om een urgentieverklaring omdat hij dakloos is en hij met zijn zoon verblijft bij kennissen. Ook heeft hij psychische klachten. Verweerder heeft de urgentieverklaring geweigerd, onder meer omdat geen sprake is van een urgent woonprobleem. Eiser is het hier niet mee eens.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat heeft verweerder beslist?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 4:5, aanhef onder b, c, m en n, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019.<footnote-ref linkend="_a2be187b-8869-4709-9846-26a7deff02be" /> Volgens verweerder is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem. Het niet hebben van een vaste verblijfplaats, waardoor zijn kinderen niet bij hem kunnen komen, en de psychische klachten van eiser die hierdoor zouden verergeren, kunnen niet worden aangemerkt als urgent woonprobleem.<footnote-ref linkend="_3ecfaccc-5ef3-423b-a708-04ffec1e2137" />Eiser had zijn woonprobleem volgens verweerder ook redelijkerwijs op andere wijze kunnen oplossen. Hij heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt waarom het woonprobleem niet opgelost zou kunnen worden door het huren van een woning, kamer of studio op de particuliere woningmarkt. Ook heeft hij niet aangetoond dat de psychische problematiek niet met behulp van een gerichte behandeling opgelost worden. Daarnaast werpt verweerder aan eiser tegen dat hij zonder legitieme noodzaak veelvuldig reageert binnen een beperkter zoekgebied dan de hele regio Haaglanden. Verder staat eiser, gelet op het feit dat hij op een correspondentieadres stond ingeschreven, niet ten minste twee jaar voorafgaand aan de aanvraag aansluitend als bewoner ingeschreven in de Basisregistratie personen van een gemeente in de regio Haaglanden. Er is volgens verweerder geen reden om de hardheidsclausule toe te passen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser voert aan dat het woonprobleem is ontstaan doordat zijn zoon door zijn ex-partner uit de woning is gezet en nu bij hem verblijft. Zijn zoon heeft problemen op school en de woonsituatie houdt deze problemen in stand. Zijn zoon heeft behoefte aan een plek waarin hij zich kan terugtrekken. Zijn kinderen willen bij hem verblijven, maar dat kan niet door het gebrek aan een eigen woonruimte. Eiser stelt dat hij lijdt aan een chronische depressie en PTSS. Daarom heeft hij behoefte aan rust en stabiliteit. Hij voert aan dat hij reageert in de hele regio Haaglanden. Hij heeft niet genoeg geld om een particuliere woning te huren. Het huren van een kamer is volgens hem geen oplossing, omdat hij de zorg draagt voor zijn zoon. Hij kan niet naar een krimpregio verhuizen, omdat hij rechten en plichten heeft jegens zijn minderjarige kinderen. Verder voert eiser aan dat de Huisvestingsverordening strijdig is met de bedoeling van de wetgever en de Huisvestingswet. Er worden vergaande regels ingevoerd en voorwaarden gesteld, terwijl de gemeente op geen enkele wijze uiteenzet hoe en wanneer zij stappen heeft ondernomen om de bouwmogelijkheden uit te putten. Ook is niet aangetoond dat bij de invoering van de Huisvestingsverordening aan de plicht is voldaan dat deze voor maximaal vier jaar mag worden vastgesteld. Daarnaast is sprake van strijd met het evenredigheids- en motiveringsbeginsel, de artikelen 27 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), 17 en 31 van het Europees Sociaal Handvest (ESH), 8 van het EVRM en 10, 12 en 22 van de Grondwet. Ook voert eiser aan dat hij heeft voldaan aan het vereiste van maatschappelijke binding, omdat hij al heel lang in de regio woont. Ten slotte had verweerder volgens hem de hardheidsclausule moeten toepassen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Is de Huisvestingsverordening in strijd met de Huisvestingswet?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Ten aanzien van de beroepsgronden die namens eiser zijn aangevoerd over de Huisvestingsverordening, merkt de rechtbank op dat deze overeenkomen met de gronden die de gemachtigde van eiser heeft aangevoerd in eerdere procedures. Nu de rechtbank zich hier al eerder over heeft uitgelaten, volstaat zij met een verwijzing naar eerdere uitspraken.<footnote-ref linkend="_bb52b02e-b419-49b4-9052-15b560430208" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Is er een urgent woonprobleem?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij de aan hem in de Huisvestingsverordening verleende bevoegdheid tot het toekennen van een urgentieverklaring, gelet op de tekst ervan, een bepaalde mate van beoordelings- en beleidsruimte toekomt. Dit leidt er toe dat de rechtbank het bestreden besluit terughoudend moet toetsen. Het restrictieve beleid van verweerder ten aanzien van urgentieverklaringen heeft als doel de verdeling van de woningvoorraad onder de vele woningzoekenden op een zo rechtvaardig mogelijke manier te regelen. Het verlenen van voorrang aan de één betekent namelijk dat andere woningzoekenden langer op een woning moeten wachten. Bij het verlenen van urgentieverklaringen is verweerder gehouden aan de weigeringsgronden uit het opgestelde beoordelingssysteem. Dit beleid is door de hoogste bestuursrechter niet onredelijk geacht, gelet op het grote aantal aanvragen voor een urgentieverklaring en het in verhouding daarmee geringe aantal woningen dat voor toewijzing beschikbaar is.<footnote-ref linkend="_4de7af88-f06e-402e-9a91-278087684aaf" /> Het woningtekort is een landelijk probleem en leidt niet tot de conclusie dat verweerder een ruimer beleid zou moeten voeren bij het toekennen van urgentieverklaringen.</para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat eiser niet voor een urgentieverklaring in aanmerking komt, omdat er weigeringsgronden van toepassing zijn. Hoewel duidelijk is dat de situatie niet ideaal is, heeft eiser niet aangetoond dat sprake is van een urgent woonprobleem. Zijn zoon staat niet bij hem ingeschreven en zijn ex-partner heeft het ouderlijk gezag. Dat zijn zoon bij hem zou willen verblijven en niet bij zijn moeder, is geen omstandigheid waar verweerder rekening mee kan houden. Ook heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser op woningen in een te beperkt gebied reageert. Verder heeft eiser niet aangetoond dat hij niet op de particuliere woningmarkt een kamer, studio of woning kan huren. Nu zich algemene weigeringsgronden voordoen, kon verweerder de aanvraag afwijzen zonder toe te komen aan een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag met betrekking tot de psychische problematiek van eiser. Eiser heeft ook niet aangetoond dat de psychische problematiek niet behandeld kan worden.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Is de weigering in strijd met internationale verdragen of de Grondwet?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Het betoog van eiser dat sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM slaagt niet. Uit artikel 8 van het EVRM vloeit geen positieve verplichting voort tot verstrekking van een urgentieverklaring. Het betoog van eiser dat sprake is van schending van artikel 27 van het IVRK, slaagt evenmin. Deze bepaling bevat geen normen die vatbaar zijn voor rechtstreekse toepassing door de rechter. Het is daarvoor niet voldoende concreet en behoeft nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving. Voor zover eiser heeft betoogd dat de (de urgentieregeling in) Huisvestingsverordening in strijd is met andere internationale verdragen of de Grondwet verwijst de rechtbank nogmaals naar een eerdere uitspraak.<footnote-ref linkend="_edc9fd6d-3ca4-43a3-9ba5-51a84b20a1bf" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Had verweerder toepassing moeten geven aan de hardheidsclausule?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de door eiser geschetste omstandigheden niet leiden tot onbillijkheden van overwegende aard waardoor verweerder gehouden was om, in afwijking van het beleid, alsnog een urgentieverklaring te verstrekken. Hierbij is van belang dat eiser zijn woonprobleem zelf kan oplossen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is de conclusie van deze uitspraak?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen urgentieverklaring krijgt. Verweerder hoeft de kosten die eiser voor deze procedure heeft gemaakt niet te vergoeden.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M. de Graaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Als u het niet eens bent met de uitspraak op het beroep, dan kunt u een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. U moet dit hoger beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_a2be187b-8869-4709-9846-26a7deff02be" label="1">
    <para> Op grond van artikel 4:5 van de huisvestingsverordening weigert verweerder de urgentieverklaring indien naar zijn oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:</para>
    <para>[…]</para>
    <para>b. er geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem;</para>
    <para>c. de aanvrager kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen;</para>
    <para>[…]</para>
    <para>m. de aanvrager heeft niet eerst direct voorafgaand aan de aanvraag drie maanden zelf aantoonbaar gereageerd op het beschikbare woningaanbod, tenzij de aanvraag wordt gedaan op grond van artikel 4:6;</para>
    <para>n. de aanvrager niet ten minste al twee jaar voorafgaand aan de aanvraag aansluitend staat ingeschreven in de Basisregistratie personen van de gemeenten in de regio Haaglanden, tenzij de aanvraag wordt gedaan op grond van artikel 4:6.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3ecfaccc-5ef3-423b-a708-04ffec1e2137" label="2">
    <para> Op grond van artikel 2.1.2, onder m, n en o, van de Beleidsregel urgentieverklaringen Den Haag 2019.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bb52b02e-b419-49b4-9052-15b560430208" label="3">
    <para> Zie de uitspraken van deze rechtbank van 14 april 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:3481) en 16 februari 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:1045) en de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 24 september 2021 (ECLI:NL:RBMNE:2021:4727), 2 november 2021 (ECLI:NL:RBMNE:2021:5701) en 1 december 2021 (ECLI:NL:RBMNE:2021:5870).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4de7af88-f06e-402e-9a91-278087684aaf" label="4">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:628).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_edc9fd6d-3ca4-43a3-9ba5-51a84b20a1bf" label="5">
    <para> Zie de eerdergenoemde uitspraak van deze rechtbank van 16 februari 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:1045).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>