<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:11599</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-21T09:00:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-11-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 22 _ 395</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:11599">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:11599</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-15T13:58:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:11599 Rechtbank Den Haag , 07-11-2022 / AWB - 22 _ 395</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:11599:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Urgentieverklaring. Geen strijd met Huisvestingswet. Geen urgent woonprobleem. Geen toepassing hardheidsclausule.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:11599:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR 22/395</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], te [woonplaats], eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. A. Dogan),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: C.R. Kross).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 31 augustus 2021(het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om een urgentieverklaring afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 17 december 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zijn gehoord via een beeldverbinding op 19 oktober 2022.</para>
      <para>Eiser is verschenen, bijgestaan doorzijn mr. [A], kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiser, 70 jaar oud, heeft een urgentieverklaring aangevraagd omdat hij fysieke en mentale gezondheidsklachten heeft. Hierdoor kan hij moeilijk traplopen. Ook kampt hij met een zuurstoftekort, nadat hij besmet is geweest met COVID-19. Verder heeft hij een hartaanval gehad en heeft hij last van zijn knieën door ouderdom. Verweerder heeft de urgentieverklaring geweigerd, onder meer omdat eiser een passende woning had kunnen krijgen als hij had gereageerd. Eiser is het hier niet mee eens.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat heeft verweerder beslist?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 4:5, aanhef onder c, k en m van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019.<footnote-ref linkend="_cf2a2cb2-38a6-4a9c-b8f2-94d231cce803" /> Hij heeft niet eerst drie maanden op woningen op Woonnet-Haaglanden gereageerd. Hij had zijn woonprobleem zelf kunnen oplossen door te reageren op passende woningen. Op Woonnet-Haaglanden waren woningen beschikbaar die eiser had kunnen krijgen als hij had gereageerd. Deze woningen zijn verhuurd aan personen met een kortere inschrijfduur dan eiser. Volgens verweerder maakt eiser met zijn inschrijfduur ook kans op een seniorenwoning. Er is volgens verweerder geen reden om de hardheidsclausule toe te passen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser voert aan dat de urgentieverklaring is bedoeld voor zijn situatie. Verweerder geeft een onmiskenbaar verkeerde uitleg aan de Huisvestingsverordening. Ook is in de situatie waarin hij verkeert toepassing van de hardheidsclausule gerechtvaardigd. Verweerder heeft het bestreden besluit op dit punt niet deugdelijk gemotiveerd. Het bestreden besluit is onevenredig belastend. Tot op heden heeft hij geen passende woonruimte kunnen verkrijgen. Hij heeft er alles aan gedaan om zijn woonprobleem op te lossen. Hij beschikt niet over voldoende financiële middelen om particulier te gaan huren. Door zijn leeftijd, de turbulente periode die hij achter de rug heeft, het feit dat hij technisch niet goed is onderlegd en zijn medische problematiek heeft hij niet optimaal kunnen reageren op Woonnet Haaglanden. Inmiddels ontvangt hij steun en hulp van zijn zoon en voldoet hij aan zijn verplichtingen. De Huisvestingsverordening en het bestreden besluit zijn in strijd met hogere regelgeving, onder meer met de Huisvestingswet, en met de bedoeling van de wetgever. De Huisvestingsverordening is gebrekkig gemotiveerd en onzorgvuldig voorbereid. Verweerder heeft niet bewezen dat hij na invoering van de verordening in 2015 actief bezig is geweest om de problemen op de woningmarkt op te lossen en heeft niet aangetoond dat een nieuwe verordening in 2019 noodzakelijk was.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Is de Huisvestingsverordening in strijd met de Huisvestingswet?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Ten aanzien van de beroepsgronden die namens eiser zijn aangevoerd over de Huisvestingsverordening, merkt de rechtbank op dat deze overeenkomen met de gronden die de gemachtigde van eiser en kantoorgenoten van de gemachtigde hebben aangevoerd in eerdere procedures. Nu de rechtbank zich hier al eerder over heeft uitgelaten, volstaat zij met een verwijzing naar eerdere uitspraken.<footnote-ref linkend="_4a57739f-b4c5-4ad1-bf63-73c338c9ab85" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Is er een urgent woonprobleem?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij de aan hem in de Huisvestingsverordening verleende bevoegdheid tot het toekennen van een urgentieverklaring, gelet op de tekst ervan, een bepaalde mate van beoordelings- en beleidsruimte toekomt. Dit leidt er toe dat de rechtbank het bestreden besluit terughoudend moet toetsen. Het restrictieve beleid van verweerder ten aanzien van urgentieverklaringen heeft als doel de verdeling van de woningvoorraad onder de vele woningzoekenden op een zo rechtvaardig mogelijke manier te regelen. Het verlenen van voorrang aan de één betekent namelijk dat andere woningzoekenden langer op een woning moeten wachten. Bij het verlenen van urgentieverklaringen is verweerder gehouden aan de weigeringsgronden uit het opgestelde beoordelingssysteem. Dit beleid is door de hoogste bestuursrechter niet onredelijk geacht, gelet op het grote aantal aanvragen voor een urgentieverklaring en het in verhouding daarmee geringe aantal woningen dat voor toewijzing beschikbaar is.<footnote-ref linkend="_b89c1b74-4f14-4963-9736-a6f82b8005be" /> Het woningtekort is een landelijk probleem en leidt niet tot de conclusie dat verweerder een ruimer beleid zou moeten voeren bij het toekennen van urgentieverklaringen.</para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat eiser niet voor een urgentieverklaring in aanmerking komt, omdat de weigeringsgronden van artikel 4:5, aanhef en onder c, k en m, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 van toepassing zijn. Gelet op de inschrijfduur van eiser stelt verweerder terecht dat hij naar verwachting binnen drie maanden in staat is om een woonruimte in de regio toegewezen te krijgen. Hij had woningen kunnen krijgen als hij had gereageerd en hij maakt kans op een seniorenwoning. Verweerder mag eiser dan ook tegenwerpen dat hij zijn woonprobleem zelf kan oplossen. Nu zich algemene weigeringsgronden voordoen, kon verweerder de aanvraag afwijzen zonder toe te komen aan een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag met betrekking tot de medische problematiek van eiser. De verklaring van de huisarts die eiser in beroep heeft overgelegd, waarin staat dat het hem niet lukt om trappen op te lopen en dat hij een gelijkvloerse woning nodig heeft, kan daarom niet tot een ander oordeel leiden. Overigens is niet gebleken dat eiser geen gelijkvloerse woning kan krijgen met zijn inschrijfduur. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Had verweerder toepassing moeten geven aan de hardheidsclausule?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de door eiser geschetste omstandigheden niet leiden tot onbillijkheden van overwegende aard waardoor verweerder gehouden was om, in afwijking van het beleid, alsnog een urgentieverklaring te verstrekken. Hierbij is van belang dat eiser zijn woonprobleem zelf kan oplossen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is de conclusie van deze uitspraak?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen urgentieverklaring krijgt. Verweerder hoeft de kosten die eiser voor deze procedure heeft gemaakt niet te vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M. de Graaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Als u het niet eens bent met de uitspraak op het beroep, dan kunt u een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. U moet dit hoger beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_cf2a2cb2-38a6-4a9c-b8f2-94d231cce803" label="1">
    <para> Op grond van artikel 4:5 van de huisvestingsverordening weigert verweerder de urgentieverklaring indien naar zijn oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:</para>
    <para>[…]</para>
    <para>c. de aanvrager kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen;</para>
    <para>[…]</para>
    <para>k. de aanvrager naar verwachting bij toepassing van de in artikel 3:5, eerste lid, rangorde binnen drie maanden een andere woonruimte kan krijgen;</para>
    <para>[…]</para>
    <para>m. de aanvrager heeft niet eerst direct voorafgaand aan de aanvraag drie maanden zelf aantoonbaar gereageerd op het beschikbare woningaanbod, tenzij de aanvraag wordt gedaan op grond van artikel 4:6;</para>
    <para>[…].</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4a57739f-b4c5-4ad1-bf63-73c338c9ab85" label="2">
    <para> Zie de uitspraken van deze rechtbank van 14 april 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:3481) en 16 februari 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:1045) en de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 24 september 2021 (ECLI:NL:RBMNE:2021:4727), 2 november 2021 (ECLI:NL:RBMNE:2021:5701) en 1 december 2021 (ECLI:NL:RBMNE:2021:5870).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b89c1b74-4f14-4963-9736-a6f82b8005be" label="3">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:628).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>