<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:11397</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-03T15:06:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-07-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/5478</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:11397">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:11397</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-03T15:05:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:11397 Rechtbank Den Haag , 27-07-2022 / 20/5478</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:11397:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Geheimhouding en Wob. Einduitspraak na tussenuitspraak. De geconstateerde gebreken zijn niet hersteld. Verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:11397:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR 20/5478 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], uit [woonplaats], eiser</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M.C. Remeijer-Schmitz).<?linebreak?></para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 13 februari 2018 (primair besluit) heeft verweerder het verzoek tot opheffing van de geheimhouding van de gronduitgifte- en realisatieovereenkomst ‘Noordboulevard Scheveningen, Project Hommerson’ (de overeenkomst) afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft op 12 maart 2018 bezwaar gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 14 maart 2018 heeft verweerder het door eiser op 19 september 2017 ingediende Wob<footnote-ref linkend="_5e135cd2-581e-4add-aded-f89840e6e3b8" />-verzoek afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 14 juli 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit herroepen en beslist dat de geheimhouding van de overeenkomst wordt opgeheven met uitzondering van de daarin opgenomen economische en financiële informatie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de door verweerder met een beroep op artikel 8:29 van de Awb<footnote-ref linkend="_8566415c-6962-4454-8acd-e9f8126b25a8" /> ingediende stukken, nadat eiser daarvoor toestemming heeft verleend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2021 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 7 januari 2022 heeft deze rechtbank een tussenuitspraak gedaan waarin is bepaald dat sprake is van een motiveringsgebrek ten aanzien van het bestreden besluit. Verweerder is daarbij de mogelijkheid geboden het gebrek te herstellen. Verweerder heeft laten weten van deze mogelijkheid gebruik te willen maken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 17 februari 2022 heeft verweerder een nadere motivering op het bestreden besluit gegeven teneinde het motiveringsgebrek te herstellen.<?linebreak?>Op 31 maart 2022 heeft de gemachtigde van eiser hierop gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tussenuitspraak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.</para>
    <para />
    <para>2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat verweerder </para>
    <para>het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank heeft overwogen dat:<?linebreak?>1. Verweerder in het bestreden besluit niet ingegaan is op het bezwaar gericht tegen het besluit van 14 maart 2018;</para>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft nagelaten per onderdeel te motiveren welke weigeringsgrond aan openbaarmaking in de weg staat, waardoor niet inzichtelijk is welke weigeringsgronden verweerder op welke onderdelen van toepassing acht;</para>
    <para />
    <para>3. Verweerder heeft nagelaten concreet te motiveren waarom zijn economische of financiële belangen of het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken derden in de weg staat aan openbaarmaking. Ook heeft verweerder nagelaten te motiveren welke specifieke belangen van derden in het geding zijn en is niet zonder meer gebleken van concrete negatieve gevolgen voor de toekomstige onderhandelingspositie van verweerder. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Reactie verweerder</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Op 17 februari 2022 heeft verweerder een aanvullende motivering gegeven teneinde</para>
    <parablock>
      <para>de geconstateerde gebreken te herstellen. Deze motivering maakt hierdoor deel uit van het</para>
      <para>oorspronkelijke bestreden besluit Daarbij heeft verweerder naar voren gebracht dat de</para>
      <para>primaire besluiten van 13 februari 2018 en 14 maart 2018 grotendeels gelijkluidend zijn. </para>
      <para>Voor beide besluiten geldt het advies van de commissie bezwaarschriften. Een nader advies </para>
      <para>of beslissing op bezwaar maakt de afweging dat het Wob-verzoek tevens is opgevat als een </para>
      <para>verzoek tot opheffing geheimhouding niet anders. Verder heeft verweerder met verwijzing</para>
      <para>naar bepaalde onderdelen en pagina’s van (bijlagen van) het Wob-verzoek aangegeven</para>
      <para>waarom niet tot openbaarmaking is overgegaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. De rechtbank is van oordeel dat de aanvullende motivering van verweerder van</para>
    <para>17 februari 2022 onvoldoende is om de geconstateerde gebreken te herstellen. Allereerst </para>
    <parablock>
      <para>heeft verweerder voor wat betreft de reikwijdte van het Wob-verzoek aangesloten bij de</para>
      <para>onderdelen waarvoor een vergunning noodzakelijk was: het slaan van de damwand, de sloop</para>
      <para>van bestaande panden aan de boulevard, het bouwen van een parkeergarage en het ontsluiten</para>
      <para>van de toegang tot de parkeergarage door het aanleggen van een tunnelbak. Aangezien deze</para>
      <para>trajecten ten tijde van het Wob-verzoek deels nog niet gestart waren en deels nog liepen, is</para>
      <para>verweerder van mening dat hierover geen stukken openbaar hoeven te worden gemaakt. Dit</para>
      <para>laat echter onverlet dat aannemelijk is dat deze trajecten (deels) al werden voorbereid op het</para>
      <para>moment van het Wob-verzoek en dat het verzoek niet alleen op documenten uit de</para>
      <para>vergunningprocedures ziet, maar ook op (informele) afspraken die mogelijk tussen</para>
      <para>verweerder en de aanvrager van de vergunningen zijn gemaakt en terug zijn te vinden in</para>
      <para>emails en brieven of andere documenten die dateren van voor het Wob-verzoek. Niet</para>
      <para>duidelijk is of verweerder hiernaar heeft gezocht. Verweerder is bij zijn aanvullende</para>
      <para>motivering dan ook kennelijk van een te enge reikwijdte van het verzoek uit gegaan en is</para>
      <para>daarmee onvoldoende ingegaan op het bezwaar gericht tegen het besluit van 14 maart 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De aanvullende motivering maakt daarnaast nog steeds niet duidelijk welke</para>
    <parablock>
      <para>weigeringsgrond ter grondslag ligt aan ieder afzonderlijk documentonderdeel dan wel</para>
      <para>weggelakte passage. Ook ontbreekt nog altijd een concrete motivering van de</para>
      <para>belangen zoals vermeld onder rechtsoverweging 2, nummer 3. Verweerder heeft dan ook</para>
      <para>niet voldaan aan hetgeen de rechtbank in de tussenuitspraak heeft opgedragen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren. De</para>
    <parablock>
      <para>rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene</para>
      <para>wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding een nieuwe bestuurlijke lus toe te</para>
      <para>passen. Zij kan evenmin zelf in de zaak te voorzien, omdat de rechtbank niet in staat is de</para>
      <para>openbaarmaking van documenten die bij de gemeente berusten openbaar te maken en</para>
      <para>onduidelijk is of er al dan niet meer documenten onder het verzoek vallen. Verweerder moet </para>
      <para>daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak en </para>
      <para>de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van </para>
      <para>verzending van deze uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht vergoedt.</para>
    <para />
    <para>8. Niet is gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para />
    <para>- vernietigt het bestreden besluit;</para>
    <para />
    <para>- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak en met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;</para>
    <para />
    <para>- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 178,- vergoedt. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Tijsma, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_5e135cd2-581e-4add-aded-f89840e6e3b8" label="1">
    <para> Wet openbaarheid van bestuur.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8566415c-6962-4454-8acd-e9f8126b25a8" label="2">
    <para> Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>