<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:11220</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-08T09:00:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-09-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.16252 en NL22.16253</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:11220">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:11220</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-07T14:17:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:11220 Rechtbank Den Haag , 09-09-2022 / NL22.16252 en NL22.16253</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:11220:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:11220:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: NL22.16252 en NL22.16253</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer/voorzieningenrechter van 9 september 2022 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser en verzoeker], eiser en verzoeker</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [v-nummer] </para>
      <para>(gemachtigde: mr. P.J.J.A. Hendriks),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 18 augustus 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat</para>
      <para>de overdracht achterwege blijft, tot op het beroep is beslist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Geen zitting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond<footnote-ref linkend="_c318113f-15dd-4576-995d-2dc010ce8898" />. Hieronder legt de rechtbank dit uit.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser stelt de Syrische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 1996. </para>
    <para />
    <para>3. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Volgens hem is Spanje verantwoordelijk voor de behandeling daarvan.<footnote-ref linkend="_a84e6eee-8a68-4a90-a209-ace359bdb2f9" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waarom is eiser het niet eens met het bestreden besluit? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiser meent dat verweerder ten onrechte vasthoudt aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Spanje. Er werd in Spanje geen fatsoenlijke opvang geboden, enkel noodhulp door het Rode Kruis. Ook is hem zonder asielprocedure een bevel opgelegd Spanje te verlaten. Na terugkeer zal hij geen opvang of rechtshulp meer krijgen in Spanje, zodat hem daar een onmenselijke behandeling te wachten staat. Verder had het feit dat zijn broer wel in Nederland een asielprocedure heeft lopen, ertoe moeten leiden dat eisers aanvraag ook in behandeling werd genomen. Verweerder heeft geen deugdelijke motivering gegeven voor dit verschil in behandeling. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat verweerder er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan. Eiser is er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht naar Spanje een risico loopt op een behandeling in strijd is artikel 4 van het Handvest.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Het persoonlijk relaas van eiser biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de asielprocedure in Spanje niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Daarbij is van belang dat eiser in Spanje geen asielaanvraag heeft ingediend, zodat hij niet uit eigen ervaring kan verklaren hoe de asielprocedure en de asielopvang in Spanje is ingericht. Eiser heeft zijn stellingen ook niet met stukken onderbouwd. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat indien zich problemen zouden voordoen in Spanje, eiser daarover zijn beklag kan doen bij de (hogere) Spaanse autoriteiten dan wel de geëigende instanties aldaar. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>De rechtbank is verder van oordeel dat eiser -los van de vraag of dit ertoe zou moeten leiden dat verweerder eisers asielaanvraag in behandeling zou moeten nemen- onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie van de broer van eiser geheel gelijk is aan de situatie van eiser. Verweerder heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat van afhankelijkheid tussen eiser en zijn broer niet is gebleken. In wat eiser heeft aangevoerd hoeft verweerder dan ook geen aanleiding te zien om de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>6. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond. Nu met deze uitspraak op het beroep wordt beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Dat verzoek wordt daarom afgewezen.</para>
      <para />
      <para>7. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.M. van den Berg, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Bent u het niet eens met deze uitspraak?</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen de uitspraak kan – voor zover daarin op het beroep is beslist – verzet worden gedaan bij deze rechtbank. Dit moet binnen zes weken na de dag van bekendmaking gebeuren. Wie verzet doet kan daarbij aangeven over het verzet gehoord te willen worden<footnote-ref linkend="_60c5b21f-9bf8-41a7-bf29-51a5664043e7" />. </para>
      <para />
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_c318113f-15dd-4576-995d-2dc010ce8898" label="1">
    <para> Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a84e6eee-8a68-4a90-a209-ace359bdb2f9" label="2">
    <para> Zie artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_60c5b21f-9bf8-41a7-bf29-51a5664043e7" label="3">
    <para> Zie artikel 8:55 van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>