<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:11211</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-07T13:11:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-10-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 22/579</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:11211">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:11211</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-07T13:11:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:11211 Rechtbank Den Haag , 04-10-2022 / AWB 22/579</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:11211:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beëindiging verblijfsrecht en ongewenstverklaring - eisers gedrag vormt een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving - geen sprake van schending van artikel 8 van het EVRM</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:11211:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG	</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AWB 22/579 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 oktober 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [v-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. L.E. Beket).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 10 maart 2021 is aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt om zijn verblijfsrecht te beëindigen en hem ongewenst te verklaren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 9 augustus 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verblijfsrecht beëindigd en hem ongewenst verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 13 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 6 september 2022 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1988 en heeft de Poolse nationaliteit. Verweerder heeft het EU-verblijfsrecht van eiser beëindigd en hem ongewenst verklaard, omdat van eisers gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving uitgaat.<footnote-ref linkend="_1d6e545f-e233-4d60-bd41-ae4ab1fa7be9" /> Verweerder heeft hiertoe overwogen dat eiser herhaaldelijk is veroordeeld voor misdrijven. Daarbij is geen sprake van schending van artikel 8 van het EVRM<footnote-ref linkend="_02cd5977-3542-4ec0-afec-4ba33008ab6c" />. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat voert eiser aan in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. De meest recente gepleegde misdrijven leveren geen ernstige bedreiging meer op. De impact van een winkeldiefstal is anders dan van een woninginbraak. Verweerder had ter onderbouwing van de actuele dreiging geen acht mogen slaan op het vonnis van 30 juli 2021 en het reclasseringsrapport, nu deze stukken pas voor het eerst in het bestreden besluit worden betrokken. Verder had verweerder zich niet op het standpunt mogen stellen dat er geen sprake is van activiteiten op de arbeidsmarkt, terwijl er geen uitdraai van het Suwinet aan het dossier is toegevoegd. Verweerder had dan in ieder geval moeten horen in bezwaar.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Gevaar voor de openbare orde</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Eiser is in het verleden herhaaldelijk veroordeeld voor misdrijven, waaronder winkeldiefstallen, diefstal met geweld, witwassen, diefstal door middel van braak, steekwapenbezit en twee inbraken in kelderboxen. Dat het hierbij gaat om een ernstige dreiging volgt onder meer uit het vonnis van 4 september 2018, waarin de strafrechter constateert dat de woninginbraak door eiser een ‘ernstige breuk betekent op de levenssfeer van bewoners’. Daarnaast blijkt de ernst van het gedrag van eiser uit de grote hoeveelheid strafbare feiten die hij heeft gepleegd. Eiser is sinds 2018 voor negen misdrijven in totaal voor ruim elf maanden gevangenisstraf opgelegd (onherroepelijk). Bij vonnis van 30 juli 2021 is aan eiser een ISD-maatregel opgelegd. De strafrechter constateert in het vonnis dat uit de rapportages van de reclassering blijkt dat alle leefgebieden van eiser criminogeen zijn. Eiser heeft geen vast adres, geen inkomen en geen netwerk. Eiser komt zowel in Nederland als in Engeland steeds met justitie in aanraking, mede als gevolg van zijn verslaving aan cocaïne en heroïne. Het recidiverisico is ‘zeer hoog’. Hiermee is ook aan het vereiste ‘actuele dreiging’ voldaan. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het betoog van eiser dat verweerder het vonnis van 30 juli 2021 en het reclasseringsrapport niet bij het bestreden besluit mocht betrekken nu deze stukken niet in het primaire besluit worden genoemd, volgt de rechtbank niet. Het bestreden besluit vormt een volledige heroverweging van het primaire besluit.<footnote-ref linkend="_1919d4c8-0952-4d45-92bd-0b5904d244c3" /> Dit betekent dat verweerder zijn in het primaire besluit ingenomen standpunt dat eisers gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt, in het bestreden besluit met extra stukken heeft mogen onderbouwen. Zoals verweerder ter zitting heeft betoogd was eiser zelf ook bekend met het vonnis en de daarin opgelegde ISD-maatregel. Bovendien waren er los van deze uitspraak voldoende andere feiten die tot hetzelfde oordeel zouden leiden. Tot slot maakt, anders dan eiser meent, het feit dat verweerder niet eerder is overgegaan tot intrekking van de verblijfsvergunning, niet dat de verblijfsvergunning alsnog kan worden ingetrokken. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Artikel 8 van het EVRM</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>4. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM (privéleven) alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken en de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiser heeft kunnen laten uitvallen. Dat verweerder geen uitdraai van het Suwinet bij het dossier heeft gevoegd, maakt dit niet anders, nu het in eerste instantie aan eiser is om feiten en omstandigheden naar voren te brengen die in het kader van de belangenafweging in zijn voordeel moeten worden uitgelegd. Weliswaar stelt eiser op zitting dat hij in de bouw heeft gewerkt, maar niet is gebleken dat hij legaal werkzaam is geweest, nu hij niet ingeschreven heeft gestaan op een woonadres.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Hoorplicht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>5. De rechtbank overweegt dat van het horen in bezwaar slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef, en onder b, van de Awb<footnote-ref linkend="_b5c50688-7c06-40b8-a37b-bae1bb3ce1d0" /> mag worden afgezien, indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Uit hetgeen eiser in bezwaar naar voren heeft gebracht is niet gebleken dat aan dit criterium niet is voldaan. Het feit dat de ISD-maatregel in het bestreden besluit is betrokken maakt het voorgaande niet anders, gelet op hetgeen is overwogen onder punt 3.1. Gelet daarop was er redelijkerwijs geen twijfel over de conclusie in de bezwaarfase. Van schending van de hoorplicht is naar het oordeel van de rechtbank daarom geen sprake.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is de conclusie?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>6. Het beroep is ongegrond.</para>
      <para />
      <para>7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. C.M. van den Berg, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
  </section>
  <footnote id="_1d6e545f-e233-4d60-bd41-ae4ab1fa7be9" label="1">
    <para> Paragraaf B10/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_02cd5977-3542-4ec0-afec-4ba33008ab6c" label="2">
    <para> Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_1919d4c8-0952-4d45-92bd-0b5904d244c3" label="3">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 september 2017, ECLI:NL:RVS:2021:863.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b5c50688-7c06-40b8-a37b-bae1bb3ce1d0" label="4">
    <para> Algemene wet bestuursrecht. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>