<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:11196</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-31T12:35:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-03-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.436, NL22.437 en NL22.960</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:11196">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:11196</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-31T12:34:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:11196 Rechtbank Den Haag , 30-03-2022 / NL22.436, NL22.437 en NL22.960</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:11196:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek om vergoeding van de proceskosten toegewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:11196:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">uitspraak</bridgehead>
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="ac37090d-86bc-477e-978f-c7aeed492980" depth="2" width="525" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HMG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Bestuursrecht</para>
      <para>zaaknummers: NL22.436, NL22.437 en NL22.960</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [verzoeker] , </emphasis>verzoeker, V-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoekster 1] , </emphasis>verzoekster <emphasis role="bold">1, </emphasis>V-nummer:  [V-nummer]</para>
      <para>en <emphasis role="bold">[verzoekster 2] , </emphasis>verzoekster 2, V-nummer: [V-nummer] hierna gezamenlijk: verzoekers</para>
      <para>(gemachtigde: mr. E. Arslan),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, </emphasis>verweerder (gemachtigde: mr. M. Noslin).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekers om vergoeding van hun proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft de rechtbank op 21 maart 2022 meegedeeld dat hij bereid is de proceskosten van verzoekers te vergoeden tot een bedrag van€ 379,50.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.</para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank kan beslissen dat een van de partijen de proceskosten van de andere partij moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).</para>
    <para />
    <para>3. Verzoeker en verzoekster 1 zijn op 10 januari 2022 en verzoekster 2 op 19 januari 2022 in beroep gegaan, omdat verweerder niet tijdig heeft beslist op hun aanvragen om een verblijfsvergunrung asiel voor  bepaalde  tijd.  Op  23 februari 2022  heeft verweerder alsnog een beslissing genomen op de aanvragen van verzoekers. Verzoekers hebben daarna</para>
    <para>de beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit ingetrokken en daarbij de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten.</para>
    <para />
    <para>4. Verweerder heeft in zijn  reactie van 21  maart 2022  aangegeven bereid  te zijn  om de proceskosten die verzoekers hebben gemaakt te vergoeden tot een bedrag van€ 379,50. Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>in artikel 3 van het Bpb, omdat verzoekers gezinsleden zijn die gelijktijdig hun beroepen hebben ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Omdat verweerder bij het instellen van het beroep nog geen beslissing had genomen op de aanvragen van verzoekers en daarmee te laat was, hebben verzoekers terecht beroep ingesteld. Dat betekent dat de rechtbank aanleiding ziet om verzoekers een vergoeding toe te wijzen voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is dit een vast bedrag omdat verzoekers een professionele (juridische) hulpverlener hebben ingeschakeld  om voor hen een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen ging over de vraag of de beslistermijn</para>
    <para>is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt€ 379,50. De rechtbank volgt verweerder dat deze zaken vanwege de inhoud als samenhangende zaken kunnen worden beschouwd. De beroepen zijn ook nagenoeg gelijktijdig ingediend. Daarom blijft de hoogte van de vergoeding beperkt tot het bedrag dat in een zaak zou worden toegekend (artikel 3 vanhetBpb).</para>
    <para />
    <para>6. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op</para>
    <parablock>
      <para>€ 379,50 (0,5 punt voor het indienen van de beroepschriften met een waarde per punt van</para>
      <para>€ 759,- met een wegingsfactor 1).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van</para>
      <para>€ 379,50.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Zwijnenberg, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>30 maart 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="349ecc24-ea7b-466d-b050-c80f0d79b5de" depth="82" width="252" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Documentcode: [nummer]</title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vennelden.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>