<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:11096</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-10T09:00:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-10-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/3303</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:11096">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:11096</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-03T10:18:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:11096 Rechtbank Den Haag , 26-10-2022 / 22/3303</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:11096:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Geen dienstbelang: werkdag van 9,5 uren bij deelname aan PAS-regeling.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:11096:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 22/3303 </para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige militaire kamer van 26 oktober 2022 in de zaak tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser</title>
    <para>(gemachtigde: J. Aberkrom),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de commandant Materieel Logistiek Commando, verweerder</title>
    <para>(gemachtigde: kapitein mr. J.C.A. Aarts).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 20 december 2021 (het primaire besluit) is het verzoek van eiser om deelname aan de regeling Partiële arbeidsparticipatie senioren (PAS) afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 19 april 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 28 september 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder en kolonel [A] . </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>1. Eiser werkt al achttien jaar als burgermedewerker bij Defensie. Hij heeft een verzoek gedaan tot vermindering van zijn arbeidsduur met 36,8% en een wijziging van zijn rooster naar 26 uren, twee dagen van 9.5 uur en één dag van 7 uur.<footnote-ref linkend="_7a3490c8-401a-4215-9981-57aec1be83b5" /></para>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft het verzoek afgewezen, omdat de wijze waarop eiser zijn rooster wenst vorm te geven zich verzet tegen het dienstbelang. Volgens verweerder kan eiser geen diensten in zijn rooster opnemen die langer zijn dan 9 uur per dag. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is eisers standpunt in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. Eiser voert aan dat hij sinds 2004 vier dagen in de week werkt en 9,5 uur per dag maakt. Eiser mag er dan ook van uitgaan dat de medezeggenschapscommissie in 2004 toestemming heeft gegeven om 9,5 uur per dag te werken.<footnote-ref linkend="_af90f433-fd94-480d-841e-b4e5ac112816" /> Hij heeft ook veel meer baat bij een kortere werkweek dan een kortere werkdag. Dit maakt dat het dienstbelang zich niet verzet tegen het rooster waar eiser om heeft verzocht. Tot slot doet eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. Het geschil spitst zich enkel toe tot de vraag of eiser diensten in zijn rooster mag opnemen die langer zijn dan 9 uur per dag.</para>
    <para />
    <para>5.	5. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat een dienst van meer dan 9 uur per dag in strijd is met artikel 30o, derde lid, van het BARD<footnote-ref linkend="_6c8c75bc-4854-4d15-83b7-d5a562000be9" />. Er ontbreekt namelijk een dienstbelang dat diensten van meer dan 9 uur per dag noodzakelijk maakt. Het feit dat eiser al achttien jaar 9,5 uur per dienst arbeid verricht, maakt niet dat deze omstandigheid moet worden overgenomen in de werktijdenafspraken bij de aanvraag van de PAS regeling. Het gaat hierbij om een andere, nieuwe situatie. Daarbij heeft verweerder toegelicht dat alle werkroosters binnen de eenheid uiterlijk 31 december 2022 in overeenstemming moeten zijn met het BARD. Medewerkers die een werkrooster hebben met diensten van langer dan 9 uur per dag is een redelijke overgangstermijn geboden om hun roosters aan te passen. Op nieuwe aanvragen voor werkroosters wordt conform deze standaard beslist. </para>
    <para />
    <para>6. Ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel merkt verweerder het volgende op. Voor zover eisers collega een rooster van meer dan 9 uur per dag is opgedragen, is er sprake van een fout. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat het gelijkheidsbeginsel niet zover strekt dat het betrokken bestuursorgaan eenmaal gemaakte fouten moet herhalen.<footnote-ref linkend="_f2c12e48-aa2b-4584-ba7d-2a6e104e4687" /></para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Abdolbaghai, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_7a3490c8-401a-4215-9981-57aec1be83b5" label="1">
    <para> Op grond van artikel 30c, tweede lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (BARD).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_af90f433-fd94-480d-841e-b4e5ac112816" label="2">
    <para> Op grond van artikel 30o, eerste en tweede lid, van het BARD. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_6c8c75bc-4854-4d15-83b7-d5a562000be9" label="3">
    <para>Artikel 30o, tweede en derde lid, van het BARD luiden: <?linebreak?>2. De commandant dient over de toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang het noodzakelijk maakt dat de ambtenaar meer dan 9 uren per dienst of meer dan 45 uren per week arbeid verricht.</para>
    <para>3. Indien het eerste en tweede lid niet wordt toegepast, dan bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 9 uren per dienst, ten hoogste 45 uren per week en ten hoogste gemiddeld 40 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f2c12e48-aa2b-4584-ba7d-2a6e104e4687" label="4">
    <para> Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:144.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>