<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:10986</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-08T09:00:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-10-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">SGR 22/3418</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:10986">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:10986</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-02T09:52:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:10986 Rechtbank Den Haag , 24-10-2022 / SGR 22/3418</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:10986:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De regelgeving voorziet er niet in dat een medewerker met een deeltijdaanstelling van 24 uur voor de overige uren een gegarandeerd minimum maandelijks inkomen krijgt. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:10986:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR 22/3418 </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige militaire kamer van 24 oktober 2022 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], uit [woonplaats], eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. N.I. van Os),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Defensie, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigden: majoor mr. B.C.J.L. Mol-van Hout en mr. B. van der Bruggen).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 28 oktober 2021 (het primaire besluit I) heeft verweerder eisers ontslagverzoek voor 14 uur met toekenning van een Gegarandeerd maandelijks inkomen (GMI)<footnote-ref linkend="_c1d817fc-85f9-417e-933a-4db14b2cf878" /> afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 4 november 2021 (het primaire besluit II) is eiser met ingang van 1 februari 2022 eervol ontslagen voor de volledige omvang van zijn aanstelling van 38 uur wegens overtolligheid.<footnote-ref linkend="_7b45f36f-2b99-4fbf-a26e-31b49faa32b6" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 25 april 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is op de zitting van 28 september 2022 behandeld. Eiser was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <bridgehead>Overwegingen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>Waar gaat deze zaak over? </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Eiser werkt sinds 1 juni 1996 bij verweerder als fysiotherapeut. Zijn dienstbetrekking bedroeg 38 uur. Eiser is aangemerkt als herplaatsingskandidaat in de zin van het SBK 2012. </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Eiser heeft op 8 september 2021 een verzoek om ontslag ingediend voor veertien uur met toekenning van een GMI. Verweerder heeft dit verzoek bij het primaire besluit I afgewezen. Eiser is bij het primaire besluit II met ingang van 1 februari 2022 eervol ontslagen voor de volledige omvang van zijn aanstelling van 38 uur wegens overtolligheid. Vervolgens is eiser opnieuw aangesteld voor 24 uur en is hij dezelfde werkzaamheden gaan verrichten als voor zijn overtolligheidsontslag. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat heeft verweerder besloten? </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de afwijzing van eisers verzoek om ontslag gehandhaafd. Volgens verweerder is het niet mogelijk dat een werknemer met een deeltijdaanstelling van 24 uur voor de overige uren een GMI krijgt. Een GMI is alleen mogelijk als een werknemer volledig vertrekt en eindigt zodra een werknemer de pensioengerechtigde leeftijd bereikt of zodra hij ‘wederom’ werkzaamheden gaat verrichten bij of voor verweerder.<footnote-ref linkend="_9df357d0-ba39-4b3e-a5b1-4cab662a157c" /> In eisers bezwaren gericht tegen het overtolligheidsontslag ziet verweerder geen reden om het primaire besluit II te herzien. </para>
      <para />
      <para>3. Eiser voert aan dat een GMI ook in deeltijd kan worden toegekend. Bovendien gaat hij niet ‘wederom’ werkzaamheden verrichten bij of voor verweerder, maar verricht hij die werkzaamheden voor 24 uur al sinds langere tijd. Hij valt onder het SBK 2012 en voldoet aan de voorwaarden van artikel 17b van het BBU. Verweerder maakt een ongerechtvaardigd onderscheid tussen deeltijders en voltijders (naar arbeidsduur) door deze handelswijze. Verweerder handelt in strijd met artikel 12p van de Wet ambtenaren Defensie. Hierbij verwijst eiser naar een uitspaak van 28 mei 2013 van rechtbank Gelderland.<footnote-ref linkend="_a2ceb3cd-641f-4f0f-bd59-fa07250ab70e" /> Eiser voelt zich hierdoor benadeeld. Daarbij komt dat als hij geen GMI krijgt hij in een situatie terecht komt van een (bovenwettelijke) WW-uitkering voor die veertien uur met een sollicitatieplicht. Verweerder had daarom eisers verzoek niet op grond van arbeidsduur mogen afwijzen. Gelet hierop kan ook het overtolligheidsontslag niet in stand blijven.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank? </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. De rechtbank stelt vast dat eiser is ontslagen voor 38 uur en vervolgens opnieuw is aangesteld voor 24 uur. Tijdens zijn voltijdsaanstelling was eiser voor 14 uur in het SBK 2012 opgenomen.   </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het ontslagverzoek</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De vraag die voorligt in deze zaak is of de regelgeving erin voorziet dat een medewerker met een deeltijdaanstelling van 24 uur voor de overige uren een GMI krijgt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Verweerder heeft in het bestreden besluit toegelicht dat een GMI alleen is bedoeld voor medewerkers die volledig vertrekken. Daarbij heeft verweerder verwezen naar de doelstelling van het GMI, namelijk het stimuleren van vrijwillig vertrek om de herplaatsingsmogelijkheden voor andere herplaatsingskandidaten te vergroten.</para>
        <para>GMI is een afkoopregeling van rechten die de werknemer anders als het dienstverband had doorgelopen had behouden.<footnote-ref linkend="_d41a2884-5fe3-469f-927f-649c1f049b62" /> Het ziet op een gegarandeerd minimum maandelijks inkomen terwijl het in de situatie van eiser zou gaan om een loonaanvullende maatregel. Hiermee heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom het niet mogelijk is dat eiser met behoud van een deeltijdaanstelling een GMI krijgt. Uit het dossier blijkt bovendien dat verweerder dit ook in verschillende gesprekken in 2020 met eiser heeft besproken. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De rechtbank ziet in wat eiser in beroep aanvoert geen reden om hier anders over te oordelen. In het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op wat eiser in bezwaar heeft aangevoerd. Voor zover eiser in beroep niet heeft geconcretiseerd op welke punten de motivering van het bestreden besluit ontoereikend is, kan de enkele herhaling van deze argumenten in beroep niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder een ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen deeltijders en voltijders. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het gemaakte onderscheid voldoende objectief gerechtvaardigd, gelet op de gegeven motivering in het verweerschrift onder verwijzing naar bestreden besluit. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Verweerder heeft daarom op juiste gronden eisers ontslagverzoek met toekenning van een GMI afgewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Overtolligheidsontslag</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. De rechtbank stelt vast dat eiser tegen het in bezwaar gehandhaafde overtolligheidsontslag geen nader gespecificeerde beroepsgronden heeft ingediend. Daarom gaat de rechtbank uit van de juistheid van het overtolligheidsontslag. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr.J.R. van Veen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op </para>
        <para>24 oktober 2022.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="2">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>griffier</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>rechter</para>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_c1d817fc-85f9-417e-933a-4db14b2cf878" label="1">
    <para> Als bedoeld in hoofdstuk 8 van het Sociaal Beleidskader Defensie 2012-2016 (SBK 2012).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7b45f36f-2b99-4fbf-a26e-31b49faa32b6" label="2">
    <para> Op grond van artikel 116, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (Bard).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9df357d0-ba39-4b3e-a5b1-4cab662a157c" label="3">
    <para> Zie artikel 17b, vijfde lid, van het BBU Besluit Bovenwettelijke uitkering bij werkloosheid voor de sector defensie (BBU) </para>
  </footnote>
  <footnote id="_a2ceb3cd-641f-4f0f-bd59-fa07250ab70e" label="4">
    <para> ECLI:NL:RBGEL:2013:768.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d41a2884-5fe3-469f-927f-649c1f049b62" label="5">
    <para> Uitspraak van rechtbank Overijssel van 12 augustus 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:3753. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>