<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:10497</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-13T09:12:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-10-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.15428</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:10497">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:10497</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-13T09:12:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:10497 Rechtbank Den Haag , 07-10-2022 / NL22.15428</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:10497:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>afgifte van een verblijfsdocument EU/EER, schijnhuwelijk, ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:10497:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL22.15428</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      [naam], eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. P.R. Klaver),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. Y. Rikken).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 4 augustus 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2022 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para>1. Eiser heeft op 6 februari 2022 in Nederland een asielaanvraag ingediend. </para>
    <para>2. In Eurodac is geregistreerd dat eiser eerder op 27 november 2015 in Duitsland en op 13 april 2018 en 8 maart 2021 in Frankrijk om internationale bescherming heeft verzocht. Omdat eiser heeft verklaard dat zijn asielaanvraag in Frankrijk is afgewezen, zijn de Franse autoriteiten verzocht om eiser op grond van artikel 18, eerste lid onder d van de Dublinverordening<footnote-ref linkend="_70d05a79-56db-4ea7-9fad-145449c46085" /> terug te nemen. Zij zijn hiermee akkoord gegaan.</para>
    <para>3. Verweerder heeft op grond hiervan terecht bepaald dat Frankrijk de verantwoordelijke lidstaat is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Voor zover eiser erop wijst dat hij zijn eerste asielaanvraag in Duitsland heeft gedaan, heeft verweerder terecht opgemerkt dat uit de verklaringen van eiser kan worden afgeleid dat Frankrijk de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser aan zich heeft getrokken. Het claimakkoord is hiervan een bevestiging.</para>
    <para>4. Verweerder heeft verder gemotiveerd overwogen dat er geen beletselen zijn om eiser aan Frankrijk over te dragen. Eiser wordt niet gevolgd in zijn niet geconcretiseerde standpunt dat verweerder onvoldoende is ingegaan op eisers zienswijze. </para>
    <para>5. Niet aannemelijk is geworden dat eiser bij overdracht terecht zal komen in een situatie die in strijd met artikel 3 van het EVRM<footnote-ref linkend="_080cbf4f-9742-4754-89de-9a766601c76a" /> of artikel 4 van het Handvest.<footnote-ref linkend="_9cb00e81-c464-4d36-a56f-3eef06287aec" /> Hierover zijn geen documenten overgelegd. Eiser heeft ook verder niet aannemelijk gemaakt dat Frankrijk haar verplichtingen tegenover eiser niet zal naleven. Met het claimakkoord hebben de Franse autoriteiten toegezegd dat zij eisers asielverzoek zullen behandelen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Dit betekent dat eiser in aanmerking komt voor opvang volgens de Opvangrichtlijn en dat eiser niet in strijd met het refoulementverbod zal worden uitgezet. Dat na de afwijzing van de asielaanvraag de opvangvoorzieningen in Frankrijk ophielden en dat eiser Frankrijk diende te verlaten is een logisch uitvloeisel van de Opvang- en Terugkeerrichtlijn. </para>
    <para>6. Mocht eiser vinden dat de Franse autoriteiten tekortschieten in het naleven van hun verplichtingen tegenover hem, dan dient hij daarover in Frankrijk te klagen. Voor zover eiser zegt te vrezen voor derden in Frankrijk, dient hij zich eveneens tot de Franse autoriteiten te wenden voor bescherming. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die bescherming in zijn geval niet mogelijk is. Verweerder heeft kunnen afzien van een inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag</para>
    <para>7. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para>8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2022 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_70d05a79-56db-4ea7-9fad-145449c46085" label="1">
    <para>Verordening (EU) nr. 604/2013.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_080cbf4f-9742-4754-89de-9a766601c76a" label="2">
    <para>Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9cb00e81-c464-4d36-a56f-3eef06287aec" label="3">
    <para>Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>