<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:10431</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-17T09:00:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-08-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL21.18354</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:10431">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:10431</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-12T09:17:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:10431 Rechtbank Den Haag , 29-08-2022 / NL21.18354</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:10431:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Turkse onderdaan - mvv 'arbeid als zelfstandige' afgewezen - beroep tegen herhaald tkb - géén strijd met standstill art. 41 AP, want geen aanvraag mvv aanhangig ten tijde van opleggen tkb - evenredigheid - verlengen vertrektermijn art. 62  lid 3 Vw.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:10431:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL21.18354</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 augustus 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [v-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. I.M. Genee).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 18 november 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder een terugkeerbesluit opgelegd aan eiser.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit rechtstreeks beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2022 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich beiden laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1996 en heeft de Turkse nationaliteit. De verblijfsvergunning regulier die eiser in 2020 heeft aangevraagd is door verweerder afgewezen, omdat eiser geen geldige mvv<footnote-ref linkend="_db2c7f31-7a73-41d4-b963-6875dbd10a4d" /> voor ‘arbeid als zelfstandige’ kon overleggen. Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 28 januari 2021 is de afwijzing van deze verblijfsvergunning in rechte vast te komen staan.<footnote-ref linkend="_eb6ca30f-b127-4e3f-ab1a-c418f9b08b8b" /> Eiser verblijft sindsdien onrechtmatig in Nederland.</para>
    <para />
    <para>2. Op 18 november 2021 heeft de vreemdelingenpolitie geconstateerd dat eiser nog steeds in Nederland verblijft en ook arbeid verricht. Daarom heeft verweerder een (herhaald) terugkeerbesluit - met rechtsgevolg - aan eiser opgelegd met een vrijwillige vertrektermijn van 28 dagen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vinden eiser en verweerder in beroep? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser voert in beroep aan dat verweerder geen terugkeerbesluit had mogen opleggen. Volgens eiser is het opleggen en handhaven van het terugkeerbesluit - terwijl een nieuwe aanvraag voor een verblijfsvergunning aanhangig is - in strijd met de zogenaamde standstill-bepaling.<footnote-ref linkend="_e65f0f6f-13a3-42b5-9231-dc8d73b42945" /> Daarnaast voert eiser aan dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, omdat verweerder in de belangenafweging geen blijk geeft van de nadelige gevolgen van het bestreden besluit voor eiser.  Tenslotte voert eiser aan dat verweerder ten onrechte niet tot verlenging van de vertrektermijn is overgegaan.</para>
    <para />
    <para>4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen deze beroepsgronden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk en overweegt daartoe als volgt:</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat eiser geen geslaagd beroep kan doen op de standstill-bepaling. Uit vaste rechtspraak volgt namelijk dat een Turks onderdaan enkel een geslaagd beroep kan doen op de standstill-bepaling als hij of zij tenminste het aantoonbare voornemen heeft om als zelfstandig ondernemer in Nederland te gaan werken.<footnote-ref linkend="_b856a445-aef5-4c79-b406-635eb429c34c" /> Een dergelijk voornemen kan worden bewezen door het tenminste aanhangig zijn van een aanvraag voor dat specifieke verblijfsdoel.<footnote-ref linkend="_e940c00f-c45a-4e92-a259-3cc60777609f" />  Nu vaststaat dat eiser op het moment van oplegging van het terugkeerbesluit nog geen nieuwe aanvraag voor verblijf als zelfstandig ondernemer had ingediend – de door eiser genoemde aanvraag werd pas enkele dagen na het opleggen van het bestreden besluit ingediend – was de standstill-bepaling op dat moment sowieso niet van toepassing zijn op deze zaak. Reeds daarom faalt deze beroepsgrond. </para>
        <para>Overigens wijst de rechtbank er nog op dat op de zitting is gebleken dat de opvolgende  aanvraag ondertussen ook is afgewezen. Indien eiser het daar niet mee eens is, kan hij tegen dat besluit een rechtsmiddel aanwenden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder aan eiser een terugkeerbesluit heeft kunnen opleggen. Uit de stukken blijkt dat eiser door de vreemdelingenpolitie tijdens een daartoe strekkend gehoor in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze te geven op het voornemen hem een terugkeerbesluit op te leggen. Eiser heeft bij dit gehoor geen redenen aangevoerd om daarvan af te zien. De redenen die eiser vervolgens in beroep aanvoert om op het terugkeerbesluit terug te komen zijn niet met stukken onderbouwd en leiden daarom al niet tot een ander oordeel. Daarnaast heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderzoek uitgevoerd en alle betrokken belangen van eiser kenbaar in de belangenafweging meegewogen. Van strijd met het evenredigheidsbeginsel is niet gebleken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>Tenslotte heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt waarom verweerder hem een langere vertrektermijn dan 28 dagen had moeten gunnen. Eiser heeft onvoldoende met schriftelijke stukken inzichtelijk gemaakt waarom zijn bedrijfsinvesteringen in Nederland tot verlenging van de vertrektermijn moeten leiden. Daarnaast heeft eiser geen andere bijzondere omstandigheden aangetoond die verlenging rechtvaardigen.   </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is de conclusie?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>6. Het beroep is ongegrond.</para>
      <para />
      <para>7. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.</para>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Bent u het niet eens met deze uitspraak?</emphasis>
      </para>
      <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hoger beroepschrift. U moet dit hoger beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_db2c7f31-7a73-41d4-b963-6875dbd10a4d" label="1">
    <para> Machtiging tot voorlopig verblijf</para>
  </footnote>
  <footnote id="_eb6ca30f-b127-4e3f-ab1a-c418f9b08b8b" label="2">
    <para> Zie de uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Haag, van 28 januari 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:576.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e65f0f6f-13a3-42b5-9231-dc8d73b42945" label="3">
    <para> Artikel 41, eerste lid van het Aanvullende Protocol bij het Associatieverdrag Turkije-EU/EER</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b856a445-aef5-4c79-b406-635eb429c34c" label="4">
    <para> Zie de uitspraak van Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht van 7 augustus 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:10632, rechtsoverweging 5.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e940c00f-c45a-4e92-a259-3cc60777609f" label="5">
    <para> Zie de uitspraak van Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht van 7 augustus 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:10632, rechtsoverweging 5.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>