<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:10303</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-07T15:13:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-10-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">nl22.19127</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Zwolle</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:10303">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:10303</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-07T15:04:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:10303 Rechtbank Den Haag , 06-10-2022 / nl22.19127</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:10303:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Gebreken in p-v van ophouding en onderzoek leiden tot de conclusie dat de staandehouding en/of ophouding – voor zover daar al sprake van zou zijn geweest, al dan niet in Duitsland – onrechtmatig is geweest. De belangen die door verweerder zijn gesteld zijn niet zwaarwegend, belangenafweging valt in nadeel verweerder uit.</para>
        <para>Verder heeft verweerder voor wat betreft het toepassen van een lichter middel niet een op de persoon van eiser toegespitste motivering gegeven. Een verwijzing naar de gronden waar de maatregel op berust is niet voldoende, omdat dit iedere nadere belangenafweging zinledig zou maken, als de gronden de maatregel kunnen dragen.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:10303:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Zwolle</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL22.19127</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [nummer],</para>
      <para>(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. S. Bozkurt - Chhiba).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 22 september 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 6 oktober 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Y. E-Rramdani. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt van Tunesische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum].</para>
    <para />
    <para>2. Eiser stelt zich op het standpunt dat het proces-verbaal van ophouding en onderzoek (M105-A) onduidelijkheden bevat. Uit het proces-verbaal lijkt bijvoorbeeld te volgen dat eiser in Bad Bentheim (Duitsland) door de Nederlandse Koninklijke Marechaussee (KMar) is aangehouden of overgenomen, zonder dat de KMar in Duitsland deze bevoegdheid heeft. Dit maakt dat de overname, ophouding of staandehouding onrechtmatig is geweest. Eiser meent dat door de onbevoegde werkwijze van de KMar zijn belangen zijn geschaad, temeer omdat er, als hij was aangetroffen in Nederland, geen aanleiding was om hem in bewaring te stellen. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank overweegt als volgt. In het door eiser aangehaalde proces-verbaal van ophouding en onderzoek staat, voor zover van belang, het volgende: <emphasis role="italic">‘[…] Op 22-09-2022, te Bad Bentheim (D) om 15:05 uur werd de persoon zich noemende:</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Achternaam: Ouerfelli</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Voorna(a)m(en): Mohamed Amine</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Geboortedatum: 31-8-1991</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Geboorteplaats: Bizerte</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Geboorteland: Tunesië</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Nationaliteit: Tunesische</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Geslacht: Mannelijk</emphasis>
        </para>
        <para>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">Op grond van artikel 50, tweede of derde lid, dan wel artikel 50a, eerste lid, VW </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">[…] </emphasis>
          <?linebreak?>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(X) Na overname van de:</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bondsrepubliek Duitsland (land) autoriteiten.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(instantie) die heeft geconstateerd dat de vreemdeling gedurende zijn controle niet in het bezit was van enig identificerend document.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">IND (instantie) waar de vreemdeling asiel heeft aangevraagd. […]”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Met eiser is de rechtbank van oordeel dat de aangehaalde passages meerdere onduidelijkheden bevatten. Ten eerste acht de rechtbank het opmerkelijk dat, zoals door eiser is gesteld, de KMar kennelijk in Duitsland een bevoegdheid op grond van artikel 50 of meende uit te oefenen. Die bevoegdheid ontbreekt immers. De Kmar is niet belast met het vreemdelingentoezicht in Duitsland en kan daar geen bevoegdheden uitoefenen op grond van de Vreemdelingenwet, die in Nederland geldt. Ten tweede blijkt uit het proces-verbaal dat eiser is opgehouden, maar het is onduidelijk is of hij voorafgaand is staandegehouden en zo ja, op welke grond, waar en door wie. Ook uit de rest van het proces-verbaal volgt niet hoe laat en waar eiser staandegehouden dan wel opgehouden zou zijn. Voor zover verweerder tijdens de zitting nog heeft bedoelen te zeggen dat de vermelding “Bad Bentheim (D)” een foutje was, overweegt de rechtbank dat sprake is van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal en de rechtbank daarom uitgaat van de juistheid daarvan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank leiden deze gebreken tot de conclusie dat de staandehouding en/of ophouding – voor zover daar al sprake van zou zijn geweest, al dan niet in Duitsland –  onrechtmatig is geweest. Als verweerder zwaarwegende belangen heeft, is er ruimte de maatregel van bewaring toch rechtmatig te achten<footnote-ref linkend="_8114f271-ee87-4f20-94fa-2b99951e876e" />. Verweerder heeft desgevraagd verwezen naar de (niet betwiste) gronden van de maatregel en gesteld dat eiser niet in zijn belangen is geschaad. De rechtbank is van oordeel dat verweerder daarmee geen zwaarwegende belangen heeft gesteld. Daarom valt de belangenafweging in het nadeel van verweerder uit. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 6 oktober 2022.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <parablock>
        <para>Eiser heeft ook gesteld dat verweerder had kunnen volstaan met een minder ver strekkende maatregel. </para>
        <para>De rechtbank overweegt als volgt. In de maatregel van bewaring heeft verweerder onder het kopje ‘<emphasis role="italic">lichter middel</emphasis>’ het volgende overwogen:  <?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>‘Geen lichter middel</title>
    <bridgehead role="italic">Daarbij is afgewogen of op betrokkene een afdoende, minder dwingende maatregel doeltreffend is toe te passen. Gezien de bovenstaande gronden en motiveringen is vervolgens overwogen dat daarvan in het onderhavige geval geen sprake (meer) is. Door de vreemdeling is ook niet overtuigend gesteld dat een dergelijke maatregel voor de daadwerkelijke effectuering van diens vertrek volstaat.’</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze overweging niet van een op de persoon van eiser toegespitste motivering zoals vereist. Een verwijzing naar de gronden waar de maatregel op berust is niet voldoende, omdat dit iedere nadere belangenafweging zinledig zou maken, als de gronden de maatregel kunnen dragen.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verweerder heeft betoogd dat eiser in het kader van het lichter middel ook niets zou hebben aangevoerd, maar naar het oordeel van de rechtbank is dat feitelijk onjuist. Eiser heeft in het gehoor voorafgaand aan de maatregel van bewaring namelijk het volgende gezegd: </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">[..] V: Begrijpt en geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland? Uw visum is verlopen, uw W document is</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">verlopen dit betekend dat u illegaal bent. Alle documenten zijn verlopen dit betekend dat u illegaal</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">bent. Begrijpt u dit?</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">A: Ik heb een nieuw document een gevraagd. Er zijn nieuw vingerafdrukken gemaakt. Nieman heeft mij</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">verteld dat ik illegaal was. […] </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">V: Heeft u een andere of redenen waarom afgezien moet worden van bewaring?</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">A: Ik weet eigenlijk nog steeds niet waarvoor ik hier ben.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Opmerking verbalisant: ik verteld meneer nogmaals dat hij illegaal is.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">A: Hoe zo ben ik illegaal? Ik woon op het AZC. Ik meld mij iedere keer. Ik krijg geld. Hoezo ben ik dan</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">illegaal. Ik wordt steeds gecheckt door de politie. Zij laten mij iedere keer gaan. Hoe kan ik dan</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">illegaal zijn?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit de maatregel blijkt onder meer niet dat verweerder in de belangenafweging rekening heeft gehouden met de omstandigheden dat eiser zich telkens meldt. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Het voorgaande betekent dat de maatregel van bewaring een motiveringsgebrek bevat ten aanzien van de minder ver strekkende maatregel. Ook om deze reden is naar het oordeel van de rechtbank het beroep gegrond.<?linebreak?></para>
      <para>5. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 15 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 2 x € 130,- (verblijf politiecel) en 13 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.560,-.</para>
      <para />
      <para>6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 6 oktober 2022;</para>
    <para>- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.560,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.518,-. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzitter van de rechtbank te 's-Gravenhage beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 1.560,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.I. van Meel, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>D.K. Bloemers, griffier.</para>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_8114f271-ee87-4f20-94fa-2b99951e876e" label="1">
    <para> zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2814</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>