<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:10283</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-07T09:35:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-02-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.661</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:10283">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:10283</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-07T09:33:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:10283 Rechtbank Den Haag , 11-02-2022 / NL22.661</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:10283:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep asiel AA Marokko. Evident meerderjarig bevonden, andere identiteit niet aannemelijk gemaakt. Marokko voor eiser terecht als veilig land van herkomst aangemerkt. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:10283:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.661</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]</bridgehead>
    <parablock>
      <para>(gemachtigde: mr. M. Rasul), en</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid</emphasis>, verweerder (gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 6 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL22.662, op 8 februari 2022 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Marokko problemen heeft met zijn familie, omdat hij in 2018 zijn oom heeft neergestoken na een poging van deze oom om eiser seksueel te misbruiken. Eiser stelt in Marokko geen bescherming tegen zijn familie te kunnen inroepen.</para>
    <para />
    <para>2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:</para>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Identiteit, nationaliteit en herkomst;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Problemen naar aanleiding van poging tot seksueel misbruik.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <para>3. Met betrekking tot het eerste element acht verweerder de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder acht de identiteit van eiser niet geloofwaardig. Eiser heeft verklaard te zijn [A] , geboren op [2004] . Echter, in de telefoon van eiser is een foto van een paspoort aangetroffen op naam van [eiser] , geboren op [2001] . Uit deze telefoon bleek verder dat gebruik werd gemaakt van een</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Facebookaccount onder de naam [B] . Verweerder gaat er op basis van deze bevindingen vanuit dat eiser [eiser] is en dat hij is geboren op [2001] .</para>
      <para>Verweerder acht het tweede element geloofwaardig. Verweerder stelt zich evenwel op het standpunt dat Marokko te beschouwen is als een veilig land van herkomst. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit ten aanzien van hem in het bijzonder anders is. Verweerder heeft daarom de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Heeft eiser zijn gestelde identiteit aannemelijk gemaakt?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij zijn gestelde identiteit niet aannemelijk kan maken aan de hand van documenten. Vanwege de problemen met zijn familie, kan hij geen contact opnemen met familieleden om te vragen of iemand identiteitsdocumenten kan of wil opsturen. Eiser stelt dat verweerder hem op dit punt tegemoet had moeten komen door hem een leeftijdsonderzoek aan te bieden. Eiser haalt in dit verband een uitspraak aan van deze rechtbank van 1 december 2021, onder zaaknummer NL21.17598.</para>
    <para />
    <para>5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser terecht niet gevolgd in zijn verklaring omtrent zijn naam en geboortedatum. De bevindingen in de telefoon die bij eiser is aangetroffen bieden hiertoe voldoende ondersteuning. Eiser heeft geen plausibele verklaring gegeven voor deze bevindingen. De rechtbank wijst voorts op het proces-verbaal van verhoor van 29 oktober 2020. Hieruit blijkt dat de verbalisanten op basis van diverse uiterlijke kenmerken van eiser menen dat hij op die datum meerderjarig was. Op deze constatering heeft eiser slechts gereageerd met de opmerking dat zijn geheugen slecht is en dat hij slecht is met data. Dit als gevolg van zijn medicijngebruik. Eiser heeft zijn verklaringen omtrent zijn naam en geboortedatum voorts niet onderbouwd aan de hand van documenten. De rechtbank acht niet aannemelijk dat eiser hiertoe geen mogelijkheid zou hebben gehad. Hiertoe geldt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen medewerking van zijn familie heeft te verwachten. Nog los daarvan heeft eiser relevante documenten ook via de Marokkaanse autoriteiten in Marokko of Nederland kunnen bemachtigen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die gelegenheid voor hem niet heeft bestaan. Het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel treft geen doel. In de door eiser aangehaalde zaak ging het om een vreemdeling van wie verweerder twijfelde aan diens gestelde meerderjarigheid. Van een dergelijke twijfel is in de zaak van eiser geen sprake.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Geldt Marokko als een veilig land van herkomst?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom Marokko in het algemeen als veilig land van herkomst geldt.</para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft Marokko bij regeling van 10 februari 2016 aangewezen als veilig land van herkomst. Verweerder heeft deze aanwijzing voortgezet bij de herbeoordelingen van 11 juni 2018, 30 september 2020 en 6 mei 2021. Naast informatie uit de lidstaten Duitsland en Denemarken uit 2019, heeft</para>
    <para>verweerder bij de herbeoordeling gebruik gemaakt van diverse andere, recente bronnen. Eén en ander geeft er voldoende blijk van op basis van welke informatie en beoordeling verweerder gekomen is tot de conclusie dat Marokko in het algemeen een veilig land van herkomst is. Eiser heeft verder niet geconcretiseerd waarom de beoordeling van verweerder ondeugdelijk is. Evenmin heeft eiser geconcretiseerd welke relevante rapporten over Marokko verweerder in dit verband niet heeft betrokken.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Geldt Marokko specifiek ten aanzien van eiser als veilig land van herkomst?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Eiser stelt dat de Marokkaanse autoriteiten hem, wanneer hij terugkeert naar Marokko, niet kunnen of willen beschermen tegen zijn familie. Op dit punt wijst de rechtbank op diverse rapportages waarop de herbeoordelingen zijn gebaseerd. Uit deze rapportages blijkt dat de politie of hogere instanties in Marokko niet altijd adequaat optreden. Deze informatie is evenwel onvoldoende om het standpunt te kunnen dragen dat het voor eiser, vanwege de aard van zijn problemen en/of vanwege zijn gestelde minderjarigheid, op voorhand zinledig is om zich voor hulp en bescherming te wenden tot de daartoe geëigende instanties in Marokko. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Marokko ten aanzien van hem in het bijzonder niet als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. Het beroep is ongegrond. Eiser komt niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft de aanvraag van eiser daarom terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>11 februari 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="163dde4e-7c33-49de-a42e-b2e7a6c3b1c9" depth="82" width="251" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Documentcode: [documentcode]</title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>