<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2022:10054</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-11T09:00:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-10-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/5886</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:10054">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2022:10054</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-05T14:56:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2022:10054 Rechtbank Den Haag , 04-10-2022 / 22/5886</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2022:10054:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>voorlopige voorziening, onderzoek naar alcoholgebruik, recht op tegenonderzoek, geen twijfel aan juistheid uitkomst ademanalyse</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2022:10054:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR 22/5886</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 oktober 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. L.P. Kabel),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: mr. J.A. Launspach).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het bestreden besluit heeft verweerder aan verzoeker een onderzoek naar zijn alcoholgebruik opgelegd. Ook is verzoekers rijbewijs geschorst in elk geval tot de uitslag van het onderzoek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 september 2022 op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2 Verzoeker is op 2 april 2022 aangehouden op een snorfiets omdat een agent zag dat hij erg aan het slingeren was tijdens het rijden. Het ademtestapparaat gaf een indicatie van G/F. Om 04.00 uur blies verzoeker op het politiebureau een hoeveelheid van 825 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht (µg/l), omgerekend een alcoholgehalte van 1,898 ‰. Verzoeker heeft direct daarop laten weten dat hij gebruik wil maken van het recht op tegenonderzoek. Ten behoeve van dit onderzoek is om 06.30 uur bloed afgenomen. Uit het tegenonderzoek is een alcoholgehalte van 1,57 ‰ vastgesteld.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat heeft verweerder besloten?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3 Verweerder heeft naar aanleiding van de mededeling van de politie over de constatering van 2 april 2022 aan verzoeker een onderzoek naar zijn alcoholgebruik opgelegd. Daarbij acht verweerder van belang dat de gemeten hoeveelheid alcohol 1,8 ‰ of meer was.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt verzoeker hiervan?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4 Verzoeker is het niet eens met het besluit en vindt dat verweerder uit moet gaan van het resultaat van het tegenonderzoek. Bij een gehalte van 1,57‰ heeft verweerder geen bevoegdheid tot het opleggen van een onderzoek. Indien verweerder toch uitgaat van de uitslag van de blaastest wordt het recht op tegenonderzoek een papieren recht. </para>
    <para>Daarbij heeft de strafrechter ook belang gehecht aan de uitslag van het tegenonderzoek, aangezien dat mede redengevend was om verzoekers rijbewijs weer terug te geven. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5 Zoals de voorzieningenrechter ter zitting voorgehouden heeft, volgt uit artikel 11, derde lid, onder a, van het Besluit Alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer dat het bloed direct wordt afgenomen nadat kenbaar gemaakt is dat gebruik gemaakt wordt van het recht op tegenonderzoek. De voorzieningenrechter stelt vast dat er tussen het moment van de ademanalyse en het moment van bloedafname ten behoeve van het tegenonderzoek 2,5 uur gelegen is. Door verweerder wordt niet betwist dat dit tijdsverloop niet aan verzoeker te wijten is. Als mogelijke reden noemt verweerder het gebrek aan bevoegde personen om het bloed af te nemen op het tijdstip dat verzoeker is staandegehouden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoewel het verzoeker niet is aan te rekenen dat de bloedafname pas na 2,5 uur heeft plaatsgevonden heeft verweerder zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter op het standpunt mogen stellen dat er geen concrete aanknopingspunten bestaan om te twijfelen aan de juistheid van het bij de ademanalyse geconstateerde gehalte van 1,898 ‰. De voorzieningenrechter wijst ter onderbouwing naar een uitspraak van de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken.<footnote-ref linkend="_8c0187a6-adba-4079-8e84-646420101683" /> Het is immers een feit van algemene bekendheid dat in een tijdsverloop van 2,5 uur enige hoeveelheid alcohol in het lichaam wordt afgebroken. Gelet hierop heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van het geconstateerde ademalcoholgehalte van 1,898 ‰. De voorzieningenrechter is het overigens in beginsel eens met verzoeker dat zijn recht op tegenonderzoek op deze manier een papieren recht zou kunnen worden. Die constatering maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter niet dat het besluit in deze zaak geen stand kan houden, nu het alcoholgehalte van het tegenonderzoek niet zodanig veel afwijkt van het door verweerder eerder geconstateerde alcoholgehalte dat getwijfeld moet worden aan de juistheid van de uitkomsten van het eerste alcoholonderzoek. Zoals hiervoor immers al is overwogen, is het nu eenmaal een feit van algemene bekendheid dat het menselijk lichaam alcohol afbreekt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6 De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.</para>
    <para />
    <para>7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.A. Badermann, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzieningenrechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</bridgehead>
  <footnote id="_8c0187a6-adba-4079-8e84-646420101683" label="1">
    <para> Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:713</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>