<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2021:9523</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-08-27T09:38:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-08-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-08-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL21.9082</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:9523">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:9523</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-08-27T09:36:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-08-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2021:9523 Rechtbank Den Haag , 23-08-2021 / NL21.9082</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2021:9523:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin Italië. Interstatelijk vertrouwensbeginsel. Artikel 17 Dvo. Beroep ongegrond en vovo afgewezen</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2021:9523:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL21.9082</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [Naam], eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [Nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 juni 2021 (het bestreden besluit).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL21.9083, op 8 juli 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. A.K.E. van den Heuvel, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Abdulla. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Ghanese nationaliteit te bezitten. Op 29 januari 2021 heeft hij een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. </para>
    <para />
    <para>2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.<footnote-ref linkend="_a778288e-cf7c-4310-b7a6-d0cb5cd569f4" /> Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 2 januari 2017 in Italië een asielaanvraag heeft ingediend. Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening is Italië verantwoordelijk voor de asielaanvraag. Nederland heeft op grond hiervan een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft niet binnen de termijn van twee weken gereageerd op dit verzoek, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië op grond van artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening vaststaat. </para>
    <para>3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat ten aanzien van Italië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hij stelt dat het onduidelijk is waarom verweerder ervan uitgaat dat eiser opvang krijgt in Italië, omdat Italië niet heeft gereageerd op het verzoek om terugname. Verder stelt eiser dat Italië zich niet houdt aan de Europese asielrichtlijnen en verwijst hiervoor naar zijn eigen verklaringen in het aanmeldgehoor van 3 februari 2021. Verweerder is in het bestreden besluit onvoldoende ingegaan op de aangehaalde artikelen in de zienswijze, aldus eiser. Tot slot stelt eiser dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Verweerder mag er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel vanuit gaan dat Italië haar internationale verplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser is hierin niet geslaagd. In verschillende uitspraken heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) geoordeeld dat, hoewel de algemene situatie en leefomstandigheden van asielzoekers in Italië bepaalde tekortkomingen kennen, verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat ten aanzien van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.<footnote-ref linkend="_0f2eb0d4-6697-4611-a942-03ddb285eefa" /> Verder volgt uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van 23 maart 2021 dat nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Italië.<footnote-ref linkend="_f222bcce-4e0d-441f-83e1-d36bfba32b29" /> Anders dan eiser stelt dat verweerder onvoldoende is ingegaan op de aangehaalde artikelen in de zienswijze, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat die artikelen geen wezenlijk ander beeld naar voren brengen dan de informatie waarop de Afdeling en het EHRM zich eerder hebben gebaseerd. Immers heeft Italië middels het fictief claimakkoord garanties gegeven om de asielaanvraag, met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen, in behandeling te nemen. Bij eventuele problemen kan eiser klagen bij de autoriteiten in Italië. Niet gebleken is dat de Italiaanse autoriteiten eiser niet kunnen of willen helpen, of dat het indienen van een klacht bij voorbaat zinloos zal zijn. </para>
    <para />
    <para>5. Tot slot heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de door eiser aangevoerde (persoonlijke) omstandigheden geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die maken dat overdracht van eiser aan Italië van onevenredige hardheid getuigt en verweerder aanleiding had moeten zien om de asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.</para>
    <para />
    <para>6. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_a778288e-cf7c-4310-b7a6-d0cb5cd569f4" label="1">
    <para> Verordening (EU), nr. 604/2013.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0f2eb0d4-6697-4611-a942-03ddb285eefa" label="2">
    <para> ABRvS 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2129, 15 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2449, 25 februari, ECLI:NL:RVS:2021:464 en 19 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:881.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f222bcce-4e0d-441f-83e1-d36bfba32b29" label="3">
    <para> EHRM 23 maart 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:0323DEC004659519. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>