<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2021:9275</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-09-06T09:00:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-08-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-06-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 20 _ 4729</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:9275">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:9275</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-09-03T10:21:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-09-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2021:9275 Rechtbank Den Haag , 23-06-2021 / AWB - 20 _ 4729</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2021:9275:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>mvv-vereiste - uit de Italiaanse verblijfsvergunning van eiser blijkt niet dat hij een langdurig ingezetene uit een EU-lidstaat is - artikel 8 EVRM - ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2021:9275:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AWB 20/4729</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2021 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. E. El-Sharkawi),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. A.T.M. Vroom-van Berckel).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 19 maart 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 13 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zitting was op 10 juni 2021 via een Skype-beeldverbinding. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht van afwezigheid niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. <?linebreak?><emphasis role="bold">Overwegingen</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1990 en heeft de Egyptische nationaliteit. <?linebreak?></para>
    <para>2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat eiser geen machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) bezit. Omdat eiser geen kopie van zijn Italiaanse verblijfsvergunning heeft overgelegd kan niet beoordeeld worden of eiser van het mvv-vereiste kan worden vrijgesteld. De uitzetting van eiser is daarnaast niet in strijd met zijn recht op familieleven en privéleven op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat voert eiser aan in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser stelt dat hij gelet op zijn Italiaanse verblijfsvergunning recht op vrij verkeer heeft en dus niet mvv-plichtig is. Op het toetsingsmoment in de aanvraagfase was de verblijfsvergunning van eiser nog rechtsgeldig en eiser is nog in afwachting van de beslissing op zijn verlengingsaanvraag. Ook heeft eiser wel degelijk aangetoond gezinsleven te hebben met zijn partner, wat maakt dat uitzetting van eiser in strijd is met zijn recht op gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet op grond van artikel 17, eerste lid, onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) vrijgesteld kan worden van het mvv-vereiste. Uit de Italiaanse verblijfsvergunning van eiser blijkt niet dat hij een langdurig ingezetene uit een EU-lidstaat is. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat eisers Italiaanse verblijfsvergunning is verlopen en het op de weg van eiser had gelegen om indien hij, zoals hij stelt, een verlenging van zijn verblijfsvergunning had aangevraagd, hij dit had met objectieve stukken had aangetoond. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de uitzetting van eiser niet in strijd is met zijn recht op familieleven op grond van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft namelijk in redelijkheid kunnen stellen dat er tussen eiser en referente geen sprake is van familieleven op grond van artikel 8 van het EVRM, nu eiser en referente niet hebben aangetoond dat tussen hen sprake is van een duurzame en exclusieve relatie. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser zijn stelling dat hij met referente op hetzelfde adres staat ingeschreven en gezinsleven uitoefent niet heeft onderbouwd. De ingevulde relatieverklaring en overgelegde vragenlijst heeft verweerder onvoldoende mogen achten. Het beroep op artikel 8 van het EVRM slaagt dan ook niet.</para>
    <para />
    <para>6. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de beroepsgronden niet slagen.</para>
    <para />
    <para>7. Het beroep is ongegrond.<?linebreak?></para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Petersen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>