<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2021:8941</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-06T19:36:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-08-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-08-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 20/3512</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JV 2021/225 met annotatie van Fernandez Ferreiro, L.</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:8941">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2021:8941</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-08-17T09:23:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-08-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2021:8941 Rechtbank Den Haag , 11-08-2021 / AWB 20/3512</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2021:8941:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>leges, evenredigheidsbeginsel, buitenschuld.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2021:8941:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: AWB 20/3512</para>
      <para>v-nummers: [Nummer 1] , [Nummer 2]</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [Naam 1] , eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [Naam 2]
        </emphasis>, eiseres,</para>
      <para>tezamen: eisers</para>
      <para>(gemachtigde: mr. D.P.J. Cain)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: R. van der Heijden)</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 1 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers </para>
      <para>tegen de weigering om eisers vrij te stellen van de legesverplichting voor de </para>
      <para>verlengingsaanvraag regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘humanitair tijdelijk’, </para>
      <para>ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met toestemming van partijen doet de rechtbank op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb<footnote-ref linkend="_1f491863-86a7-49d7-993f-ebf58ec92405" /> uitspraak zonder zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eisers, geboren op respectievelijk [Geb. datum 1] 1985 en [Geb. datum 2] 1987, zijn staatloos. Op 20 november 2019 hebben zij een aanvraag ingediend om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd.</para>
    <para />
    <para>2. Op 23 januari 2020 hebben eisers verzocht om vrijstelling van de leges. Eisers hebben de leges desondanks betaald. Bij afzonderlijke besluiten van 12 februari 2020 heeft verweerder de aanvragen om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning ingewilligd. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt, omdat verweerder niet tijdig heeft beslist op het verzoek tot vrijstelling van de leges.  Bij het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat eisers niet voor vrijstelling van de leges in aanmerking komen en het bezwaar ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>3. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat er sprake is van betalingsonmacht en dat zij daarom moeten worden vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van de leges. Zij ontvangen alleen een bijstandsuitkering en vormen een gezin met vijf minderjarige kinderen. Daarnaast zullen zij elk jaar de leges moeten betalen nu de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning slechts één jaar is. Ter onderbouwing van hun standpunt verwijzen eisers naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 22 juli 2015.<footnote-ref linkend="_7ab12cda-b3e6-4cdf-966e-805e6f95c04a" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Verweerder heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eisers niet voor vrijstelling van leges in aanmerking komen. Terecht heeft verweerder gewezen op artikel 3.34 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000. In de tarieftabel, rij q, in dit artikel is bepaald dat de vreemdeling die een verlengingsaanvraag indient voor een verblijfsvergunning ‘tijdelijke humanitaire gronden’ een bedrag van € 326 is verschuldigd. </para>
    <para>Voor de verlengingsaanvraag van eisers is in deze regeling geen vrijstellingsmogelijkheid van de wettelijke legesverplichting opgenomen. De door eisers aangevoerde feiten en omstandigheden zijn niet zo bijzonder of knellend dat de gevolgen van de legesheffing onevenredig zijn in verhouding tot de met de legesheffing te dienen doelen. Het achterwege laten van matiging of vrijstelling van legesbetaling levert dan ook geen schending op van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Het beroep op de uitspraak van de voorzieningenrechter slaagt niet, reeds omdat in die zaak sprake was van een aanvraag om verlenging van een verblijfsvergunning ‘niet tijdelijk humanitaire gronden’. </para>
    <para />
    <para>5. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, op 11 augustus 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:  <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van bekendmaking hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </section>
  <footnote id="_1f491863-86a7-49d7-993f-ebf58ec92405" label="1">
    <para> Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7ab12cda-b3e6-4cdf-966e-805e6f95c04a" label="2">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2015:9057</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>